home OGG Nieuws Geruchtdagen Nieuwsbrief OGG OGG in de media Inhoudelijk Wie, wat, waar, binnen OGG Links



19 maart 2009





Aan het synodebureau en moderamen van de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland


Open brief van Op Goed Gerucht aan de synode

als reactie op De wissel voorbij



Geachte synode,

Het is al enige tijd geleden dat u een eerste bezinning wijdde aan het rapport van de commissie Veerman De wissel voorbij. Met het oog op de komende ronde in april brengen we u graag op de hoogte van wat in de kring van Op Goed Gerucht leeft aan waardering, vragen en kritiek bij de voorstellen. Net als indertijd bij Pastor in beweging doen we dat in de vorm van een open brief.


Waardering

Het is belangrijk dat met dit rapport de urgentie tot verandering op tafel ligt. Er moet echt iets gebeuren om ook in de toekomst kerkelijk op zodanige wijze georganiseerd te zijn dat aan kleiner wordende gemeenten een gezond perspectief wordt geboden. Ook herkennen we de uitdaging het werk van predikanten in de gemeenten aantrekkelijk te houden, en de kwaliteit daarvan te bevorderen. Dat deze en andere zaken als een geheel aan bod komen in dit rapport, is een goede zaak .

Wat ons betreft blijft in deze integrale aanpak één aspect onderbelicht: hoe worden de plaatselijke gemeenten betrokken in dit proces van verandering, in een (classicaal en/of landelijk) plan van motivatie en aanpak? Nu dreigt de beoogde verandering met name op predikanten neer te komen, en lopen zij het gevaar in een spagaat te geraken van enerzijds de verwachtingen van hun gemeente en anderzijds de eisen van hun regionale team.

De aanpak van het rapport vraagt impliciet om een cultuur van vertrouwen, zowel tussen collega’s onderling als tussen hen en de kerkelijke organisatie. Omdat dit vertrouwen nogal eens ontbreekt, ligt hier een belangrijke taak voor de kerk in al haar geledingen en voor wie daarin werkzaam zijn. De vraag hoe onze kerk creatief kan omgaan met haar pluraliteit, en de onderlinge betrokkenheid en verbondenheid kan stimuleren zou ons inziens deel uit moeten maken van de integrale aanpak.


Vragen

Veel aanzetten in het rapport laten zich nog moeilijk beoordelen. Op welke manier kan een zodanige ‘education permanente’ worden geschapen dat deze opweegt tegen het huidige studieverlof voor predikanten? Geeft de voorgestelde snelle groei richting senior-predikantschap wel voldoende garantie dat op termijn van een goede loopbaanontwikkeling kan worden gesproken? Verder leeft onder ons de vraag of niet te gemakkelijk - enkel om financiële reden - is afgezien van een centraal werkgeverschap. Graag zouden we hiervan de voor- en nadelen eens op een rijtje zien. Dit mede omdat de voorstellen iets hebben van jonge wijn in oude zakken: een modern en flexibel werkmodel en ‘personeelsbeleid’ binnen een verouderde classicale structuur.

OGG onderschrijft van harte de gestelde vraag naar meer aandacht van predikanten en gemeenten voor het publieke domein, de gerichtheid naar buiten, het levensbeschouwelijk gesprek met andersdenkenden en andersgelovenden en het zoeken van allianties. Toch werkt het rapport dit nauwelijks uit. Zou het helpen om de grote groep predikanten en pastores in het categoriaal pastoraat op dit punt in de beschouwingen te betrekken?


Kritiek

We herkennen de noodzaak van samenwerking en zien mogelijkheden om zowel wijkgericht als taakgericht te werken. In het rapport krijgt deze samenwerking echter vorm in een hiërarchisch model dat van bovenaf wordt aangestuurd. Dat is niet alleen ongewenst, maar gaat ook niet werken. Ons staat een organische groei van onderop voor ogen, die aansluit bij reeds bestaande samenwerking en niet uit is op eenvormigheid. Impulsen vanuit classicaal of landelijk niveau zijn zeker welkom, maar dienen zich te richten op stimulering en facilitering van teamwerk dat op deze wijze groeit, en op regulering in geval van gebrekkig functioneren. In die lijn achten we het zinvol een aantal pilots in verschillende situaties (platteland, stad) te ontwikkelen en te begeleiden.

Het is geen gezonde zaak dat in de op te richten regionale teams een teamleider collega’s gaat beoordelen. Leiding geven aan een team is in onze ogen één van de specialisaties. De teamleider organiseert het werkoverleg, kan intervisie stimuleren en houdt de teamleden aan gemaakte afspraken. Wanneer deze collega anderen echter gaat beoordelen, komt het teamwerk in zeer conflictgevoelig vaarwater. Indien nodig dient beoordeling te gebeuren door een professioneel iemand op gepaste afstand. Hiernaast leidt de in het rapport beschreven begeleiding gemakkelijk tot plichtmatige rapportages en een tijdverspillende bureaucratie. Daarop zit niemand te wachten in een tijd van afnemende menskracht en oplopende werkdruk.

Met het oog op samenwerking is versterking van het classicale niveau nodig om goed te functioneren als platform voor gemeenten. Toch moeten de mogelijkheden van de classis niet overschat worden. We zien ook weinig heil in een met formatie versterkt ACV-niveau met hiërarchische lijnen naar de teams en hun leiders. Eerder denken we aan de mogelijkheid van advies, begeleiding en supervisie vanuit een of meerdere landelijke poules met deskundigen. Dat past in ons beeld van een landelijke kerk die met name ondersteunend en voorwaardenscheppend bezig is voor het optimaal functioneren van gemeenten en hun predikanten.


We wensen u in de synode veel wijsheid toe bij de beraadslagingen en in de besluitvorming.


In verbondenheid, namens de stuurgroep Op Goed Gerucht,

Richtsje Abma, studiesecretaris
Jan Offringa, voorzitter


Vreeland / Veenendaal, 19 maart 2009




Begin pagina

Startpagina Op Goed Gerucht