home OGG Nieuws Geruchtdagen Nieuwsbrief OGG OGG in de media Inhoudelijk Wie, wat, waar, binnen OGG Links



Logo OGG





Het onderstaande artikel vormt het hoofdartikel van de
Nieuwsbrief-Op Goed Gerucht nr.3 / november 2000.

Aanmeldingen voor een eigen abonnement op de Nieuwsbrief-Op Goed Gerucht bij:
Hans van Solkema, Dorpsstraat4, 7245 AK Laren (Gld)
email: h.v.solkema@hccnet.nl (tevens adreswijzigingen)
Richtprijs: f. 25,- p/j, over te maken op gironr. 8377531
t.n.v. Op Goed Gerucht, Veenhoopsweg 14, 9422 AA Smilde, o.v.v. Nieuwsbrief OGG




De theoloog als voorganger


door Wouter H. Slob

in Nieuws & Informatie, nr.3, november 2000
(Nieuwsbrief van Op Goed Gerucht)


In een recente bespreking van diens nieuwste boek, brandt Jan Greven in Trouw de pneumatheologie van G.D.J. Dingemans flink af. Met name de rol van de predikant is inzet van zijn gram. Waar Dingemans die rol wil terugdringen stelt Greven dat in de kerkelijke praktijk de predikantsplaats een onopgeefbaar principe is. De euvele moed van Dingemans om zich te beroepen op de ketter Paulus van Samosate druist bovendien lijnrecht in tegen artikel IX van de geloofsbelijdenis. Greven acht de kloof tussen de ideeën van Dingemans en de praktijk van de kerk zo groot dat er niet eens over gediscussieerd zal worden.

Het is hier niet de plaats om een oordeel te vellen over Greven versus Dingemans. Maar wat wel zinnig is om over de problematiek die hier speelt eens na te denken. De rol van de predikant is een thema dat typisch Op Goed Gerucht aangaat. Het komt mij voor dat juist de status van de geloofsbelijdenis een belangrijke verschuiving van deze rol te zien geeft. De belijdenisgeschriften hebben eeuwenlang het eenduidige fundament van de protestantse kerken willen zijn. Daar was ook reden toe, zo zal ik betogen, maar die reden is er thans niet meer. Wat betekent dat voor de rol van de theoloog als voorganger?
De taak van de theologie is te reflecteren op de geloofspraktijk. Die reflecterende taak was van oudsher vooral ook normatief. De theologie maakt onderscheid tussen wat wel en wat niet kan, mag of moet op de religieuze werkvloer. De vraag naar wat 'juist' is speelde altijd al, maar heeft binnen het Christendom een specifiek motief meegekregen. Hoewel in het allervroegste begin een zeker ecclecticisme heerste, heeft het Christendom van zichzelf de neiging om te universaliseren. In tegenstelling tot veel antieke godsdiensten die kenmerken van etnische religiositeit hebben breekt het Christendom grenzen open en is haar boodschap tot heil van alle volken. Niet afkomst, maar bekering maakt het verschil. Er is een keuze, en het Christendom heeft daarmee de mogelijkheid om die keuze te beïnvloeden. Waar door afkomst mensen in onwetendheid verkeren, daar is de Christen geroepen het Licht te brengen. Deze hartelijkheid brengt met zich mede dat de Christelijke boodschap pretendeert van algemene gelding te zijn: het Christendom kan geen alternatieven dulden. Waar de Blijde Boodschap wordt veracht, daar dient het Christendom zich te wapenen. In die situatie is het noodzakelijk om te weten waar het Christendom dan wel en waar het niet voor staat. De theologie heeft tot taak hierin normatieve beslissingen te nemen. In de Nieuwtestamentische boeken borrelt de theologie in deze zin al op: besnijden?, offervlees eten? Maar zeker is de Nieuwtestamentische canon-vorming zelf een direct gevolg van normatieve beslissingen. Dat wil zeggen: van normatieve uitsluiting met name van de gnostici. Enzovoorts. De vraag wat 'juist' is heeft het Christendom vanaf haar vroegste verschijningsvormen begeleidt.
Zoals dat gaat bij normatieve kwesties speelt botte macht al snel een belangrijke rol. Constantijn de Grote zag de politieke voordelen van een krachtige unificerende theologie. Hij benutte de theologie als politiek instrument, en kon dat doen omdat de theologie de gezaghebbende stem was die orthodoxie van heterodoxie scheidde.
In de premoderne catholica groeide de theologie uit tot een kerkelijke hiërarchie waarbij uiteindelijk het Pauselijk gezag absolute autoriteit bezat. Het waren echter precies de normatieve pretenties van het Pausdom die Luther aan het denken zetten. Niks te heilsinstituut, zo Luther, God's vrije oordeel was waar het om ging. Maar ondanks dat hemelse oordeel was er natuurlijk ook nog even de aardse religieuze praktijk. En daarin blijft de vraag naar wat 'juist' is evengoed belangrijk. Ook in het protestantisme kreeg de theologie tot taak deze vraag te beantwoorden. In het protestantisme is de urgentie van de normatieve vraag misschien nog dwingender dan in de catholica. De juiste leer werd immers niet meer gewaarborgd door de kerkelijke hiërarchie, en was teruggeprojecteerd naar de Schriften. Waar in de catholica de lezing van Paus absolute autoriteit had, moesten in het protestantisme de Schriften echter worden geïnterpreteerd. Daarmee rijst direct de vraag wélke interpretatie de juiste is. Een samenhangende leer moest daarop antwoord geven, en die werd door de theologie uitgedoctord.
In zowel de katholieke als de protestantse traditie is de theologie als sturende instantie belangrijk, maar de normatieve autoriteit is in beide gevallen verschillend. De catholica beroept zich op de apostolische successie, die uiteindelijk de Christus-representatie-op-aarde van de Heilige Stoel moet waarborgen. Ik zal op de bewaren hiertegen verder niet ingaan; die lijken me vanuit protestants perspectief genoegzaam duidelijk. Het is echter de vraag of het protestantse alternatief wel zoveel sterker is. Aanvankelijk was de protestantse gedachte dat de inspiratie van de Heilige Geest voldoende éénduidigheid zou opleveren om tot de ware bedoeling van de Schriften te geraken. Helaas bleek al heel snel tijdens de kwestie rond het avondmaal dat de Geest niet met één tong sprak. Het Marburger Godsdienstgesprek (1529) deed de geesten scheiden, en de protestantse kerkgeschiedenis laat zien dat dit op vele andere momenten opnieuw gebeurde. Het protestantisme dreigde als los zand uit elkaar te vallen.
Juist in deze situatie, zo veronderstel ik, konden belijdenisgeschriften een prominente plaats krijgen. Wanneer een aantal basiswaarheden algemeen worden geaccepteerd is er een normatief fundament waarop verder gebouwd kan worden. De grote protestantse kerken hebben de belijdenis dan ook deze formele positie gegeven. Het afleggen van openbare belijdenis des geloofs markeert het volwaardig lidmaatschap van de kerk. Alleen belijdende leden hebben stemrecht en toegang tot de sacramenten. Dat hiermee althans de schijn wordt gewekt dat de ecclesiologie afhankelijk wordt van de menselijke instemming, kan niet verhuld worden door de mogelijkheid gravamina in te dienen. Het accepteren van voorgestelde wijzigingen op de belijdenis valt immers evengoed binnen de normatieve competentie van de kerkelijke theologie.

De postmoderne situatie
De tand des tijds heeft inmiddels flink aan de eenduidigheid binnen de kerken geknaagd. Allerlei maatschappelijke en sociologische aspecten spelen hierin een rol. De sociale mobiliteit, alsmede de kleiner-wordende gemeenten, alsmede de oprukkende mondigheid van de burger en tenslotte het SOW-proces hebben er toe bijgedragen dat ook binnen de protestantse kerken steeds minder sprake is van een duidelijk kerkelijke leer die normatief is voor alle betrokkenen. De ontwikkeling is nog gaande, maar we kunnen vrij algemeen binnen de kerken een roep om ruimte horen. Vele profielschetsen voor te beroepen predikanten ruimen een prominente plaats in voor het aspect van pluriformiteit binnen de gemeente. En tijdens de bede voor de troonrede wordt letterlijk plaats ingeruimd voor niet-Christelijke godsdiensten om onze liberale ruimdenkendheid te celebreren.
Het postmodernisme, kortom, is niet aan de kerk voorbij gegaan.
Wat nu opnieuw bovenkomt is een probleem van normativiteit. Valt onze postmoderne kerk nu inderdaad ten prooi aan uiteenvallen als los zand? Duidelijk lijkt dat de (in wezen modernistische) taak van de unificerende geloofsbelijdenis haar normatieve taak niet langer aankan. Het probleem immers is dat de belijdenisgeschriften niet langer een onbesproken eenduidigheid waarborgen, maar zelf inzet van debat zijn. De weerstand van veel ook actieve kerkmensen tegen een vastpinning op een dwingende formulering, alsmede de vrijheid die mensen zich veroorloven in het interpreteren van de belijdenisgeschriften, alsmede óók de uitbreiding van geschriften die om een status confessionis vragen, ondergaven de normatieve status van de belijdenisgeschriften. Overigens zetten deze drie kwesties de rol van de belijdenis op verschillende manieren onder spanning: de weerstand tegen de belijdenis verraadt een grote waarde die eraan wordt gehecht. De interpretatievrijheid juist een gering belang. En het feit dat er steeds meer confessies gezag claimen holt de normatieve kracht ervan uit omdat niet meer duidelijk is welke voorrang heeft. Omdat de belijdenisgeschriften vanuit verschillende krachtenvelden onder druk komt te staan, is het niet waarschijnlijk dat hun positie eenvoudig veiliggesteld zou kunnen worden. Ook hier is pluralisme het gevolg. Zo is onze postmoderne situatie.
De kerk, echter, is wel in maar niet van de wereld en het feit dat de samenleving steeds verder versplintert is op zichzelf nog geen reden dat de kerk daarin zou moeten volgen. Je zou evengoed, of zelfs eerder, tot het tegendeel geneigd zijn en het belang van de belijdenisgeschriften weer aan willen trekken. Er zijn echter ook godsdienstige overwegingen die tot een zelfde conclusie leiden. Die bestaan met name uit de tendens van belijdenisgeschriften om tot een 'natuurlijke theologie' te verworden. De tendens om het goddelijke te vangen in de leer van de kerk, samengevat in de belijdenisgeschriften, is typisch een strategie om grip op de zaak te krijgen. Vanuit dit gezichtspunt is het merkwaardig dat de belijdenisgeschriften ooit zo'n prominente rol hebben kunnen krijgen. Als wij God niet in onze zak hebben, dan is het toch vreemd dat een specifieke kerkleer dat wel meent te kunnen claimen. Dat dit oer-protestantse argument nooit doorslaggevend is geworden, is eerder te wijten aan een modernistische funderings-drang dan aan een religieuze noodzakelijkheid.
Inmiddels zijn er veel tekenen dat de beslissende rol van de geloofsbelijdenis terrein verliest. Van de dwaling om het avondmaal alleen open te stellen voor belijdende leden zijn veel gemeenten reeds teruggekomen. Het is toch moeilijk uit te leggen waarom de kerk een toelatingsexamen zou vereisen terwijl Jezus zelf met hoeren en tollenaars aanlag. Het is bovendien een volstrekt misplaatste zelfverheffing van de kerk, die zich zou opstellen als gastheer terwijl zij slechts een ceremoniemeester kan zijn.
De kerkelijke normativiteit is in grote lijnen altijd een normativiteit van macht geweest, waarbij de eigen overtuiging leidraad was en verdedigd moest worden tegen allerlei aanvallen van buiten. Het verschil tussen orthodox en heterodox was altijd het verschil tussen het eigen gelijk en de afwijkingen daarvan. Op zichzelf heeft dat de kerk geen windeieren gelegd. Vanaf Constantijn is de kerk een machtsfactor van betekenis geweest; haar uitsluitingsstrategieën zijn bepaald succesvol te noemen.

Niet heersen maar dienen
De marginalisering van de kerk in onze tijd kan ons hiervan echter misschien bevrijden. Hoe spijtig in veel opzichten de ontkerkelijking ook moge zijn, macht kan zij steeds minder botvieren en dat is pure winst. 'Zij die regeerders der volken heten,' immers, 'voeren heerschappij over hen, en rijksgroten oefenen macht,' maar zó is het onder ons toch niet! Niet heersen, maar dienen, wordt ons in Marcus 10 voorgehouden. Het evangelie geeft niet de geloofsbelijdenis een prominente rol, maar de opdracht van liefde.
Het begrip liefde is wel precies het tegenovergestelde van de fixatie op het eigen gelijk, omdat het juist volledige gerichtheid op de ander impliceert. Wanneer het liefdesgebod de kern van het evangelie uitmaakt, dan dient de religieuze praxis zich daarop ook te richten. Maar de mens is geneigd tot alle kwaad. Werpen we een korte blik op het Samen-op-Weg-gebeuren. Op alle niveau's is het bewaken en bewaren van zoveel mogelijk eigen erf, tot de bizarre naam-kwestie toe, de belangrijkste reden van alle struikelblokken. In plaats dat we vanuit de liefde van Christus elkaar tot ontplooiing laten komen, proberen we te redden wat er te redden valt van onze eigen identiteit. De godsdienstige rhetoriek kan niet verhullen dat hier meer van zelfzucht dan van naastenliefde sprake is.
Toch, behalve een plat conservatisme en een angst voor nieuwe onbekende verten, speelt hierin ook een serieus probleem mee. Kan de kerk alle normativiteit laten varen? Of verzandt onze verdraagzaamheid in nietszeggende vrijblijvendheid? Een angst die niet geheel ongegrond is, is dat zonder normatieve ijkpunten een oeverloos relativisme losbarst. Zonder de belijdenisgeschriften is de doos van Pandora open en kan het geloof alleen maar verwateren. Je zou toch bepaald niet alles dat tegenwoordig de religieuze markten overspoelt de kerkmuren binnen willen halen, zelfs niet als het zich van expliciet Christelijke terminologie bedient. Maar hoe leg je dan een grens? Een heldere fixering van de belijdenisgeschriften is dan in ieder geval een duidelijke optie.
Wat hierbij over het hoofd wordt gezien is dat de liefde zelf een belangrijk normatief aspect in zich draagt. Liefde zelf stelt grenzen. Juist de fundamentele betrokkenheid op de ander impliceert de noodzaak om de ander kritisch te bevragen, waar nodig. De opgestane Heer schroomde niet om Petrus tot driemaal toe te vragen of hij Hem liefhad. Liefde veronderstelt een wederkerige verantwoordelijkheid en daar werd Petrus op aangesproken. Jezus liet Petrus' drievoudige loochening er niet bij zitten, bedekte haar ook zeker niet met de zogenaamde 'mantel der -', maar bracht haar ter sprake en plaatste Petrus daarmee voor het oordeel. Het curieuze van dit oordeel echter is dat het niet een normatieve beperking inhoudt, maar juist ruimte schept. In liefde werd Petrus de mogelijkheid geboden door zijn schuld heen te komen in plaats van erin te blijven hangen, of, erger nog, het te ontkennen. De liefde roept op om anderen aan te spreken en ter verantwoording te roepen. En ook, uiteraard, om ter verantwoording te worden geroepen. Maar de wederzijdsheid van de liefde sluit een normatieve superioriteit uit, en dat betekent dat het Eigen Gelijk géén normatieve basis kan zijn, --we zouden immers ook ongelijk kunnen hebben. Als zelfs God door Job en de psalmen kan worden aangesproken, als God Abram de ruimte biedt om op de valreep voldoende rechtvaardigen in Sodom en Gomorra te vinden, hoe zou de kerk dan kunnen denken dat haar belijdenisgeschriften Heilig zijn?
De nadruk op de openheid van de liefde is niet een handige marketingstrategie om onze kwijnende kerken nog een béétje geloofwaardig te maken. Als het aansluit bij de postmoderne pluraliteit dan is dat omdat de Christelijke boodschap inderdaad ook in onze tijd nog wat te zeggen heeft. Wat we ons wel moeten bedenken is dat deze veranderingen in de kerkelijke normativiteit gevolgen hebben voor de rol van de theoloog als voorganger. De aan- én vrij-stelling van juist theologen als voorgangers hangt natuurlijk ten nauwste samen met de status van de theologie. Waar het protestantisme principieel leken bij de besturing der kerk betrok bleef de verkondiging, en dus het normatief religieus gezag, een zaak van theologen. Dezen waren opgeleid en hadden de vaardigheden om de Schriften uit te leggen. Nog altijd is het theologisch curriculum hierop gericht, met haar sterke nadruk op de kennis van klassieke en Bijbelse talen. Nog altijd is de gedachte dat theologen een betere toegang tot de Bijbelse boodschap hebben, en dat hen derhalve de verantwoordelijkheid tot de prediking moet worden toevertrouwd. Het is natuurlijk een gemeenplaats om op te merken dat ook theologen een afstand tot de Schrift hebben; de hermeneutiek in haar zegetocht heeft ieder ervan overtuigd dat de Bijbel altijd een geïnterpreteerde tekst is. Maar dat probleem wordt intellectueel ondervangen. Wat bemiddelt tussen de tekst en de ogen van de predikant is precies de theologie: de leer die het interpreteren stuurt. Kennis en kunde dichten het hermeneutische gat.
Eeuwenlang heeft dit zo kunnen functioneren. De fundamentele overeenstemming van alle gemeenteleden, geformaliseerd in het accepteren van de belijdenisgeschriften, zorgde voor het 'vloertje' dat de predikant als uitgangspunt kon nemen voor de verkondiging. De theologie van de predikant spoorde grofweg met die van de gemeenteleden en dus kon er gemakkelijk voor eigen parochie worden gepreekt. Natuurlijk is er altijd veel belang gehecht aan het 'tegenover' van de dominee, maar dat kon alleen op basis van fundamentele overeenstemming. Anders gezegd exploreerde de predikant de geloofsruimte die werd bepaald door de heersende theologie en die haar samenvatting vond in de belijdenisgeschriften. In deze situatie kon de preek gemakkelijk haar centrale plaats in de eredienst handhaven. De kerkgangers konden zich in de grond herkennen in de schets van de predikant juist omdat de basis gemeenschappelijk was.
Die fundamentele overeenstemming is dramatisch aan het veranderen. Wanneer het gehoor in de kerk steeds pluriformer wordt is het steeds moeilijker iedereen aan te spreken. Niet alleen speelt het retorische probleem dat het lastig is om vele verschillende ingangen open te houden, veel problematischer is het dat de positie van de predikant zélf wordt ondergraven. Wanneer er niet langer één duidelijke kerkleer vigerend is, dan is het onduidelijk waarom één persoon in de gemeente zondag aan zondag de gelegenheid krijgt een specifiek verhaal te houden terwijl anderen die ruimte ontzegd wordt. Natuurlijk is de predikant altijd nog de theologische deskundige die op basis van een aantal vaardigheden dikwijls specifiek is toegerust om de kansel te bestijgen. Maar de positie van de theoloog als voorganger is niet bepaald op basis van dergelijke vaardigheden; zij berust op de normatieve status van de theologie. Aan een betere toegang tot de Schriften ontlenen theologen hun specifieke positie. En wanneer de normativiteit van de theologie op de helling komt, wordt daarmee ook de positie van theologen ondergraven.
Ik stel de tendens maar wat scherp. De inhoud van de preek is in toenemende mate problematisch aan het worden. Wanneer te duidelijk stelling wordt genomen, dan zal een deel van de gemeente snel afhaken, maar wanneer de predikant tegemoet probeert te komen aan de veelvormigheid van de gemeente zal niet alleen de preek in vaagheden blijven steken. In de praktijk zijn er nog heel wat mouwen aan te passen. De preek als belangrijk liturgisch element is vooralsnog niet van de baan. Het biedt de mogelijkheid tot pastorale bemoediging. Het blijft zinnig een Bijbeltekst historisch en literair te plaatsen. En ook het in verband brengen van actuele ontwikkelingen met Bijbelse noties is een functie die in de preek gestalte kan krijgen. Waar het mij echter om gaat is dat de preek in de eerste plaats een normatieve functie heeft en dat die functie ernstig onder druk is komen te staan. Aangezien juist dat normatieve aspect altijd het hart van de protestantse eredienst heeft gevormd staat hier veel op het spel. Het belang van deze kwestie kunnen we nader bekijken door de protestantse avondmaalsopvatting te contrasteren met de katholieke eucharistie.
Het pauselijk gezag in de catholica, zoals boven betoogd, heeft een merkwaardige consequentie die directe gevolgen voor de status van de eredienst heeft. Aangezien de Pauselijke lezing normatief is, ís zij de waarheid. Bij gebrek aan alternatief is er geen onderscheid te maken tussen de officiële lezing van Heilige Stoel en het gebeuren waar het betrekking op heeft. De autoritatieve lezing van de paus is gestoeld op een typologische methode. Zonder in details te treden is het belang ervan dat er geen essentieel verschil bestaat tussen het heilsgebeuren in historische zin en de contemporaine herhaling daarvan. Het hele idee van de transsubstantiatie hangt hiermee samen. De eucharistische mis verwijst niet naar Golgotha, maar ís Golgotha, althans in essentie. Iedere mis opnieuw voltrekt het offer van Christus zich opnieuw. De kerkelijke hiërarchie is direct betrokken op het verzoenend heilswerk en dat vereist een priesterlijke wijding.
Het avondmaal in de Protestantse traditie is minder eenduidig, maar in ieder geval kan gezegd worden dat hier wèl van verwijzing sprake is. Er is een wezenlijk verschil tussen Golgotha en de handelingen in de kerk. Waar in de katholieke idee de theologie de geschiedenis omvat, moet in het Protestantse denken het historische verschil overbrugd worden. Daarvoor is theologisch benul nodig. Daarom zijn alleen belijdende leden gerechtigd deel te nemen. Je moet kunnen begrijpen wat er gebeurt; je moet kunnen begrijpen waar de elementen betrekking op hebben. Deze theologische verantwoording vereist geen priesterlijke, maar een intellectuele 'wijding'. Het is geen wonder dat alleen theologisch-geschoolde voorgangers het avondmaal mogen bedienen.
De bediening van het protestantse avondmaal is exemplarisch voor de positie van de theoloog als voorganger. Tussen de Bijbelse getuigenis en het contemporaine geloof gaapt een gat van vele eeuwen en het is aan de theoloog om dat gat te dichten. De veranderende status van de theologie laat zich aflezen aan de veranderingen die zich voltrekken rond het avondmaal. Het 'open avondmaal' wint steeds meer terrein en daarmee verdwijnt de eis van theologisch begrip stilaan. Het voorstel om ook niet-theologisch geschoolde voorgangers de sacramenten te laten bedienen wijst in dezelfde richting. Het wordt vreemd gevonden dat een niet-theologisch kerkelijk werker wel de pastorale taken mag waarnemen maar niet de sacramenten mag bedienen. Dat betekent dan simpelweg dat de sacramentsbediening niet langer als een theologische zaak, maar als een pastorale handeling begrepen wordt.

Het einde van de theologie
Bovenstaande overwegingen doen vermoeden dat het einde van de theologie in zicht is gekomen. In ieder geval wanneer de theologie verstaan wordt als het ontwerpen van een normatieve geloofsleer samengevat in een aantal belijdenisgeschriften. Als dat zo is moeten we ons wel gaan afvragen wat de inhoud van onze erediensten nog is. Het sacramentele karakter van de Katholieke mis is geen optie wanneer de clericale hiërarchie niet wordt geaccepteerd. Maar als de preek haar centrale plaats verliest gaat ook de verkondiging op de helling. Wat we in de praktijk zien gebeuren is dat de liturgie als zodanig steeds belangrijker wordt. De gebeden, het zingen, zeker ook het Bijbellezen, en de zegen zijn aspecten die een steeds sterkere nadruk lijken te krijgen. Daarnaast verschijnen er steeds meer elementen die bepaald vreemd zijn aan een oorspronkelijke protestantse dienst: de kleuren van het kerkelijk jaar, het liturgische bloemschikken, zelfs kunst geïntegreerd in de dienst! Ieder die de dienst bezoekt kan deelnemen aan zo'n liturgie, en daar zo haar eigen gedachten over hebben. Waar vroeger ieder het in principe met alles eens moest zijn, daar wordt nu juist gezocht naar mogelijkheden om verschillende interpretaties de ruimte te geven. Als liturgische tekst zou overigens de geloofsbelijdenis hierin prima een plek kunnen krijgen. Niet als een voorwaarde om deel te nemen aan de dienst, maar als aspect van het geloofsleven waar ieder mee kan doen wat hij of zij wil.
Hoewel... Het is natuurlijk niet zo dat alles maar geoorloofd zou moeten kunnen zijn, en het is evenmin zo dat ieder liturgische noviteit opgediept uit de annalen van 'Milaan' zomaar zinvol zou wezen. Natuurlijk kunnen gelovigen elkaar aanspreken op de gang van de liturgie, en ook op de manier waarop ze dat beleven en interpreteren. Maar dat gesprek kan niet meer gedomineerd worden door theologen die de wijsheid in pacht hebben; iedereen heeft daarin in principe zeggenschap. Dat gesprek is eerder gericht op bemoediging en ondersteuning dan op het vaststellen van een eenduidige kerkleer. Dat gesprek wordt dan niet meer bepaald door de verkondiging, maar door getuigenissen, om het zo maar eens te zeggen. Waar het begrip 'verkondiging' de normatieve status van de theologie aangeeft, slaat het begrip 'getuigenis' veelmeer op het vrij waaien van de Geest. Theologen kunnen daarin als deskundigen zeker een taak hebben, maar het is niet langer de taak van een beslissende autoriteit. De kerk zou dan een open geloofsgemeenschap gemeenschap zijn. Maar het is de vraag of de predikantsplaats daarin nog een organiserend principe kan zijn. Vooral ook omdat het financiële draagvlak voor de vrijgestelde positie wellicht in gevaar zal komen. Maar wie daar alleen voor gaat zal met zijn zilverlingen op zak ineens tot het besef kunnen komen dat hij Christus verraden heeft. De belijdenis als duidelijk normatief ijkpunt zal verdwijnen; het wordt een tasten en zoeken. Maar helderheid blijft: 'heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf.'




Begin pagina

Startpagina Op Goed Gerucht



Voor een samenvatting van het boek De stem van de Roepende, pneumatheologie van de hand van Dr. G.D.J. Dingemans zelf, zie: http://www.theol.rug.nl/~vos/stem/