door Wouter H. Slob
in Nieuws & Informatie, nr.5, mei 2001
(Nieuwsbrief van Op Goed Gerucht)
Tot zijn lichte verwondering nestelden de leden van Op Goed Gerucht zich behaaglijk rond zijn zetel. 'Moet nu de oudste in het gezelschap hier het woord voeren?', mompelde Gijs Dingemans, om vervolgens met verve zijn ideeën voor een nieuwe kerkelijke structuur over het voetlicht te brengen. Hij was uitgenodigd om te spreken over zijn pas verschenen boek De Stem van de Roepende. In dit lijvige werk ordent Dingemans nog eens de vruchten van 25 jaar theologiseren. Toch betreft het niet slechts een herhaling van oude zetten. De problematiek waar Dingemans de strijd mee wil aangaan tekent zich steeds scherper af en raakt typisch ook de situatie waarin veel predikanten zich momenteel bevinden: een sterk teruglopende kerk, waarin de overgebleven gelovigen steeds mondiger en veeleisender worden, temidden van een ontkerstende wereld. In deze situatie klinkt de 'kracht van het evangelie en de christelijke traditie' bepaald niet meer vanzelfsprekend door en is het voor de gemeenschap van gelovigen steeds moeilijker 'op gemotiveerde wijze deel te kunnen hebben aan deze traditie'.
Vanwege het 'dominocratische concept' van de SoW-kerken komt volgens Dingemans onevenredig veel van deze problematiek op de schouders van de predikant te rusten die naar zijn observatie steeds sneller afbrandt. Niet de vitaliteit van de plaatselijke gemeente immers, maar haar vermogen om voldoende financiën voor de predikantsplaats op tafel te leggen, bepaalt haar identiteit. Waar de financiële haalbaarheid in het geding komt, wordt het werkgebied van de predikantsplaats uitgebreid. Van de professionele kracht die met zoveel moeite wordt vrijgesteld wil de gemeente dan ook wat verwachten, en bij een schrijnende terugloop van inzetbare vrijwilligers hangt al snel véél van de dominee af. Door de veelheid van taken die onder steeds moeilijker omstandigheden moeten worden uitgevoerd, dreigt het samenbindende dominocratische concept volgens Dingemans momenteel 'volstrekt vast te lopen'.
Dingemans hekelt deze dominocratie, die volgens hem het gevolg is van de fixatie op het Woord zoals dat na de reformatie gestalte heeft gekregen. De cultusparticipatie van de voor-reformatorische tijd, die gewijde priesters vereiste, moest bij de reformatie plaatsmaken voor de geloofsrelatie, wat eerder profeten voortbracht. Niet het bemiddelde sacrament maar het verkondigde Woord kwam centraal te staan. Dingemans wijst er op dat deze ontwikkeling niet alleen een kerkelijk-religieuze achtergrond heeft, maar ook samenhangt met bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen uit de burgerlijk/humanistische cultuur van de zestiende en zeventiende eeuw. Het zijn juist ook allerlei maatschappelijke ontwikkelingen in onze postmoderne tijd die nopen tot een 'nieuwe ecclesiologische stap'. Dingemans wil het organiserend centrum bij de gemeente zelf leggen. Omdat iedereen een eigen relatie heeft tot het evangelie, of directer: tot Christus, zijn gelovigen principieel gelijkwaardig.
In plaats van bediend of geleid te willen worden door een voorganger, zoeken mensen in een geloofsgemeenschap samen naar het heil dat 'door en in Christus geboden wordt'. Dingemans hanteert het beeld van de 'ronde tafel'; gelijkwaardige partners die met elkaar in gesprek komen en samen speuren naar antwoorden in hun religieuze zoektocht.
Dingemans onderscheidt verschillende soorten 'tafels': de vier-, vergader-, maar ook keuken-, en gezelligheids-tafel. De 'leer-tafel' is echter het middelpunt van de geloofsgemeenschap. Aan die tafel proberen gelovigen hun besef van verantwoordelijkheid voor medemens en schepping te doordenken. Dit begrip verantwoordelijkheid staat in onze tijd meer op de voorgrond dan de voor-reformatorische communie en de reformatorische verzoening. Vanuit het gezamenlijk leren komt men volgens Dingemans tot vieren en dienen. Uiteindelijk streefdoel is de 'kerkelijk geëngageerde leefwijze,' en niet primair de participatie of de geloofsrelatie (al zullen dit ongetwijfeld belangrijke aspecten blijven).
In de 'ronde tafel-kerk' blijft behoefte aan een soort functieverdeling. Dingemans noemt met name de presbyter (een term die hij prefereert boven 'ouderling') en de diaken, die het 'dienen' coördineren, en natuurlijk de theoloog, die als een deskundig leraar vooral een procesbegeleider is. Deze moet eerder stimuleren en informeren dan (het Woord van God) verkondigen. Omdat de theoloog voor de kleine 'ronde tafel-groepen' onbetaalbaar wordt, zal deze een soort bovenplaatselijke vliegende keep moeten worden. Het locale leiderschap zou door een (charismatisch) voorzitter moeten worden waargenomen.
'Aan Tafel?'
Het kost Henk de Roest weinig moeite zich te herkennen in de positie van Dingemans: het voorstel laat zich goed 'visualiseren'. Des te meer moeilijkheden levert echter de dramatisering op. De Roest voorziet een lange weg voordat de 'ronde tafel-kerk' gerealiseerd zou kunnen worden. Dingemans leek in zijn betoog al aan de bezwaren van de Roest tegemoet te komen door zijn aanvankelijke schatting van 10 tot 25 jaar in zijn verhaal op te rekken naar 25 tot 100 jaar.
Gezien de moeilijkheden die de Roest signaleert zou dat inderdaad wel eens een realistischer tijdspad kunnen zijn. Simpelweg roepen 'aan tafel!' brengt, zoals elke ouder zal kunnen beamen, nou niet direct het ganse gezin enthousiast rond de dis. Dampende schalen met de heerlijkste gerechten zijn niet opgewassen tegen de TV, de sportclub, of zelfs de tekening die nog even moet worden afgemaakt. En waar een opvoeder nog pedagogische hulpgrepen als oren-aanvatten of 'en-nou-snel!'-brullen ten dienste staan, lijkt dat voor een terugtredende dominee toch minder consistent.
Niettemin, de weerstanden die de Roest presenteert laten zich lezen als beleidspunten om tot het gewenste resultaat te komen. Het is goed deze in kaart te brengen omdat ze alleen dan ook overwonnen kunnen worden. Allereerst hangt volgens de Roest veel af van de persoonlijkheid van de plaatselijke predikant, juist omdat de 'ronde tafel-kerk' van locaal draagvlak afhankelijk is. En waar een professor op afstand nog op een welwillend gehoor zal kunnen rekenen, daar zal de pastor loci het zwaarder te verduren hebben als veranderingen feitelijk beslag moeten krijgen. Onvermijdelijk zullen in dit soort grote processen belangen gaan meespelen. Plaatselijk is dan veel weerstand te verwachten, maar ook op 'meerder' niveau.
De Roest noemt met name de opleidingen. Academische docenten zijn doorgaans niet erg happig op veranderingen in het curriculum. Een grote omslag in kerkelijke cultuur zal nodig zijn en waar streekgemeenten nu al moeizame fenomenen zijn, lijkt de positie van een bovenplaatselijke theologisch deskundige niet direct op veel bijval te kunnen rekenen. Bovendien is hier direct een theologische ambtsopvatting in het geding, die vooralsnog stevig verankerd ligt in ons kerkbesef. De Roest signaleert ook het ontbreken van een probleembewustzijn. Waar de zaken (nog) goed lopen is er weinig reden om zó ingrijpend te veranderen, en waar die reden er wel is zijn de mogelijkheden om de kwijnende organisatie slagvaardig nieuw leven in te blazen dikwijls gering. Niet alleen speelt dan de smalle basis van beschikbaar kader een negatieve rol, ook opgebouwde moedeloosheid dooft het vuur. Dat wordt met name manifest wanneer we bedenken welke kerkordelijke veranderingen er allemaal nodig zijn om de ronde tafel-kerk gestalte te geven. Wat dat betreft zijn ervaringen uit het recente verleden niet erg stimulerend.
Toch hoeven al deze weerstanden niet per se negatief te zijn. De Roest wijst op bedrijfskundige theorieën die een crisis van een bedrijf juist als katalysator van broodnodige vernieuwing zien. Waar de beleggingsclub met aandelen Philips handenwrijvend instemming betuigt, zou Dingemans als een visionaire Jan Timmer profetisch richting kunnen geven.
Ja en amen?
Kune Biezeveld gaat in haar reactie meer inhoudelijk in op de ideeën van Dingemans en beroert het onderwerp dat dit forum van vergaderde dominees het meest raakt: leiderschap.
Biezeveld staat sympathiek tegenover de ronde tafel-gedachte. 'Alleen kom je tot geen zinnige gedachte,' beaamt ze, maar tevens waarschuwt ze voor een al te groot vertrouwen in het gesprek. Middels een schriftlezing naar Toon Tellegen laat Biezeveld de vraag rijzen hoe substantieel de inbreng van een ander moet zijn.
Weet je,' 'zei de wandelende tak tegen de eekhoorn in de top van de beukenboom,
'als je helemaal alleen bent kun je niet goed nadenken.'
De eekhoorn keek hem vragend aan en wist niet goed wat hij zeggen moest.
'Ja,' zei hij toen, een beetje aarzelend.
'Nou ja, ik bedoel,' ging de wandelende tak verder, 'dat je dan steeds hetzelfde denkt.'
'Ja,' zei de eekhoorn.
'En niet nádenkt.'
'Nee.'
'Zoals nu.'
'Ja,' zei de eekhoorn. Hij deed zijn ogen dicht en bedacht dat hij daar goed zat
en dat hij de wandelende tak graag hoorde nadenken.
'Ik denk nu ná over het nádenken, omdat ik nu niet alleen ben.'
'Nee.'
'En er echt met iemand samen over kan nádenken.'
'Ja.'
De wind blies langs de top van de boom en de wandelende tak ritselde even. Of rilde hij, of schudde hij iets van zich af'?
'Weet je,' zei hij.
'Ja,' zei de eekhoorn.
'Ik vind nadenken heel belangrijk.'
'Belangrijker dan wat ook.'
'Ja.'
'En ik ben heel blij dat ik dat nu bedacht heb.'
'Ja.'
Waar de wandelende tak tot diepe gedachten komt, beperkt de inbreng van de eekhoorn zich slechts tot een herhalend 'ja', en af en toe een 'nee'. Misschien dat dit een klankbordfunctie kan hebben, maar een inhoudelijke dialoog waarin een gezamenlijke zoektocht tot uiting komt, kan het toch moeilijk genoemd worden.
Biezeveld wijst erop dat Dingemans' notie van de rond tafel ontleend is aan Letty Russells Vrouwenkerk. Als alternatief voor de autoritaire ambtsstructuur van de traditionele kerken bepleitten de initiators van de Vrouwenkerk een ronde tafel-structuur: open, gelijkwaardig, met ruimte voor meer dan één visie op gelijke hoogte naast elkaar. Toch ligt voor Biezeveld het zwaartepunt van de Vrouwenkerk niet zozeer in het open karakter ervan, maar in de nadruk op gelijkwaardigheid. Hierin is niet primair het gesprek belangrijk, maar de blootlegging van machtspatronen. Wanneer deze niet worden onderkend kan het gesprek te gemakkelijk gedomineerd worden door de wandelende tak, terwijl de eekhoorn niets anders rest dan 'ja' en 'amen' te zeggen. Biezeveld is van mening dat de lage ambtsstructuur die Dingemans voorstaat onvoldoende is om de gelijkwaardigheid te waarborgen. Terugkerende machtspatronen krijgen bij uitstek de kans wanneer ze onzichtbaar zijn gemaakt.
'Waar een autoritaire predikant kan worden aangepakt, is diffuse macht moeilijker te bestrijden,' aldus Biezeveld.
Anders dan velen in de Vrouwenkerk echter, zoekt Biezeveld die waakzaamheid in misschien onverwachte hoek: 'het Woord met een hoofdletter'. Zij haalt de Belgische predikant Eddy van der Borght aan, die in zijn dissertatie de lutherse verbondenheid van ambts-macht en Woord in herinnering roept. Natuurlijk was het juist het monopolie op de uitleg van de Schrift die de predikant macht verschafte, maar vanuit het Woord wordt de macht ook bevraagd. Voor Biezeveld 'staat het Woord voor de enige instantie die ons echt kritisch in de rede valt'. Biezeveld pleit ervoor om de verkondigende rol van de predikant juist te verzwaren. Het machtsaspect in de uitleg wordt dan zichtbaar, waarbij het Woord zelf de kritische instantie kan vormen. Zo zal vanuit het Woord steeds weer de nadruk op gerechtigheid gelegd moeten worden.
Tafelgesprekken
Als na een hilarisch optreden van de verhalenvertellende theoloog Peter Vermaat de predikanten van Op Goed Gerucht uiteindelijk zelf aan tafel schuiven, is met name de marginale rol die Dingemans de predikant toekent inzet van discussie.
Het is niet verwonderlijk dat dit aspect in alle verslagen terugkomt, waarbij maar weinig verschillen tussen stedelijke en provinciale situaties zijn terug te vinden. Als centraal probleem komt steeds weer naar voren dat een bovenplaatselijke theoloog te weinig voeling met de gemeentepraktijk kan krijgen. Het gevaar bestaat dan dat de theologie te zeer los komt te staan van de (pastorale) praktijk, waardoor de afstand tussen theoloog en gemeente vergroot en niet verkleind zou worden. Sommige collega's hebben reeds het gevoel voor een deel als een soort adviseur langs de gemeentes te trekken, maar ervaren dat geenszins als plezierig. Soortgelijke geluiden worden gehoord van mensen die niet in hun eigen gemeente wonen. Dingemans' voorstel zou dat probleem alleen maar vergroten. Gesuggereerd wordt om eens te kijken hoe dit model werkt in de Rooms-katholieke situatie. Door het priestertekort bestaat de situatie van een sacramenten-bedienende vliegende keep immers allang. Hoe bevalt dat?
Dingemans' pleidooi om de centrale plaats die de dominee inneemt door charismatische locale leidersfiguren te laten vervullen ontmoet weerstand. Terwijl de theoloog als voorganger ook altijd een voorbijganger is en daardoor een zekere afstand kan houden en/of krijgen, is een leider uit de eigen gelederen altijd nauw betrokken, maar daardoor ook snel partij. Velen blijken zich wat dat betreft in de zorgen van Kune Biezeveld te herkennen: zonder twijfel gaat macht dan een belangrijke rol spelen. Maar macht is mogelijk in veiliger handen bij een voorbijganger dan bij iemand die zijn koninkrijk duurzaam kan vestigen. Misschien is dat ook een van de redenen waarom nog altijd aan de predikant flink wat autoriteit blijkt te worden toegekend. En natuurlijk is dit niet alleen een kwestie van machtsverdeling, maar ook simpelweg van beschikbare menskracht. De paradox doet zich voor dat juist in gemeentes die vanwege de omvang baat zouden hebben bij de 'ronde tafel-structuur',
men dikwijls verlangend naar de predikant kijkt. In kleinere gemeentes waar menskracht structureel een probleem is, is de predikant dikwijls de bliksemafleider die ervoor moet zorgen dat de weinige vrijwilligers niet tegen een 'burn-out' aanlopen. Hierdoor komt het 'dominocratisch' model in een ander daglicht te staan. Tegenwoordig lijkt dat model minder met macht en veel meer met (afschuiven van) verantwoordelijkheid te maken te hebben. Het blijkt dan ook niet zozeer de veelheid aan taken zelf te zijn die predikanten als belastend ervaren, maar het feit dat niemand anders meer de schouders er onder zet. Veel collega's geven aan juist het afwisselend karakter van het werk te waarderen, en het gevoel van crisis ontbreekt bij die predikanten die (nog) door voldoende vrijwillig kader ter zijde worden gestaan. Daarbij kan worden opgemerkt dat bij een structureel gebrek aan vrijwillige krachten het voor gemeenteleden nogal riskant is om zich kerkelijk al te veel te engageren.
Voor ze het weten zijn ze immers ambtsdrager. Door de jachtigheid waar onze maatschappij zich in bevindt zitten maar weinig mensen erop te wachten dat hun spaarzame vrije tijd ook nog eens door het kerkenwerk opgesoupeerd wordt. In zo'n sfeer is wat een gemeente zoekt niet zozeer inspraak, maar eerder zeggingskracht.
De postmoderne consument wil 'vinden' en heeft geen tijd voor 'samen zoeken.' Wie bij die tijdgeest aan wil sluiten doet er wellicht beter aan de rol van de verkondigende predikant te versterken: 'de kerk heeft smoel nodig; mensen die ergens voor durven staan en ook het gezicht van de kerk willen zijn, niet uit ijdelheid, maar uit dienstbaarheid.'
Het gevaar van machtsconcentratie ligt dan misschien op de loer, maar de mondige kerkganger laat zich niet zomaar meer knollen voor citroenen verkopen. Het is bovendien stimulerend voor de predikant, die de verworven deskundigheid niet onder stoelen of banken hoeft te steken. Hoewel sommigen de verkondigende dominee als 'achterhaald instituut' beschouwen, wordt ook opgemerkt dat de tendens om de autoriteit van de predikant te laag in te schatten demotiverender werkt dan de veelomvattendheid van het werk. In die zin wordt Dingemans' typering van het 'dominocratisch' karakter van de kerk niet overal herkend: de predikant hééft helemaal niet (meer) zoveel macht.
Biezevelds pleidooi voor een versterking van de positie van de predikant vindt weerklank. Toch dat hoeft geenszins op gespannen voet te staan met Dingemans' wens om de gemeente zelf centraal te stellen. Juist het doorslaggevende belang van een goed kader van vrijwilligers voor het functioneren van de predikant geeft aan hoe cruciaal die inzet is. Het model van de ronde tafel biedt voldoende ruimte om de deskundigheid van de predikant optimaal te benutten, maar vereist inderdaad dat de dominee niet ook al het regelwerk alleen moet doen. Vanuit stedelijke situaties wordt opgemerkt dat het model van Dingemans in sommige opzichten al functioneert. Hoewel de predikant wel aan wijken verbonden is, en daar ook voluit de pastorale verantwoordelijk draagt, wordt het toerustings- en kringwerk in overleg verdeeld. Op die manier ontstaat voor een deel van het werk specialisering.
Voor een samenvatting van het boek De stem van de Roepende, pneumatheologie van de hand van Dr. G.D.J. Dingemans zelf,
zie: http://www.theol.rug.nl/~vos/stem/

