REDACTIONEEL
door Rob Basten
Allereerst wil ik Rob de Bree, die elke keer weer zorgt voor de voortreffelijke en herkenbare layout van onze nieuwsbrief, van harte feliciteren met zijn afstudeerproject aan de Academie voor Kunst en Vormgeving in Breda. We zijn blij dat hij, na alle drukte rondom het afstuderen, bereid was om zijn vakantie nog even uit te stellen om deze nieuwsbrief toch zo snel mogelijk na de afgelopen Geruchtdag te laten verschijnen.
Naast een verslag van de Geruchtdag op locatie in Utrecht, ditmaal verzorgd door Aarnoud van der Deijl, bevat dit nummer de gebruikelijk rubrieken: Gedachtengoed, Weerwoord en Webgerucht en verder een vooruitblik naar een ‘Creatieve Dag’ in november en een vooruitblik naar het volgende nummer.
Hoewel de redactie in de wandelgangen de nodige complimenten krijgt over de nieuwsbrief, vertaalt zich dat niet in concrete bijdragen van de leden van Op Goed Gerucht. Althans, niet spontaan. Op de eerstvolgende redactievergadering zullen wij ons daarom buigen over de huidige opzet. Suggesties zijn daarbij zeer welkom.
Tot slot wil ik alvast wijzen op de datum voor de eerstvolgende Geruchtdag, deze zal gehouden worden op vrijdag 9 januari 2004. In het herfstnummer volgt meer informatie over de invulling van deze dag.
Veertig dominees in een probleembuurt
Verslag Geruchtdag op Locatie - 20 juni 2003
door Arnoud van der Deijl
predikant van de Samen-op-Weg-Gemeente Oost-Souburg
Contact met de straat
“Wat ga je eigenlijk doen, vandaag?” vraagt mijn vrouw vlak voordat ik in de auto naar Utrecht stap. Een autorit die mij zal brengen naar de achtste studiedag van het predikantenplatform “Op Goed Gerucht” op vrijdag 20 juni. “Wij gaan ons verdiepen in het buurtpastoraat”, antwoord ik. “O, een soort evangelisatie, dus”, antwoordt zij. Voor een kort moment overvallen mij angstvisioenen van groepjes blijde christenen die op straat met een gitaar in de hand Opwekkingsliedjes zingen. “Nee”, zeg ik om mijn angst te bezweren, “dat geloof ik niet. Ik zie het wel.”
In de auto komt de associatie met een politieke partij bij mij op. Zou dat hele buurtpastoraat niet net zo’n krampachtige poging zijn om “contact met de straat” te krijgen als al die plotseling ingelaste bezoekjes die politici aan probleemwijken brengen sinds Pim Fortuyn de straat een stem gaf? Woonde Pim zelf trouwens niet in een groot huis in een gegoede buurt? Die laatste gedachte doet een merkwaardige gemoedsrust over mij komen. We gaan gewoon proberen de kloof tussen kerk en straat te verkleinen.
Maar ook dit beeld blijkt niet te kloppen zodra Herman ?zerman het woord neemt. Hij is al ongeveer een kwart eeuw betrokken bij het buurtopbouwwerk. De laatste jaren als supervisor en trainer. Hij zal ons vandaag coachen. “We gaan ons vandaag blootstellen aan wat er leeft op straat. Dat noemen wij bij gebrek aan een goed Nederlands woord exposure. Dat wil zeggen: je laten gezeggen door wat er om je heen gebeurt. Je afvragen: waardoor laten wij ons leiden, door een concept of belang van de kerk of door een vraag van de mensen? We gaan – heel bijbels – twee aan twee op stap.” Opeens komt een heel ander beeld bij me op – nog veel verontrustender dan dat van de straatevangelisatie: de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal. Misschien is het buurtpastoraat wel een voorbijgaan aan de eerste genodigden, de kerkmensen die het te druk hebben met andere zaken, om vervolgens de straten en kruispunten op te gaan. Ontstaat hier een nieuwe kerk van “bedelaars, misvormden, blinden en lammen”?
Huisbezoek of exposure?
We worden op pad gestuurd. Nu valt pas goed op dat wij met “maar” 40 dominees zijn, terwijl op andere Geruchtdagen het aantal aanwezigen tussen de 80 en de 120 ligt. Wat zou dat zijn, vraag ik me af? De vorige studiedag, die ging over rechtspositie en salariëring, was goed bezocht. Zijn dominees liever pennywise dan streetwise?
Vooralsnog slaat bij mijzelf nu een licht gevoel van teleurstelling toe als blijkt dat ik op pad word gestuurd naar een aardig, autochtoon en kerkelijk betrokken echtpaar. Van dat soort heb ik er in mijn gemeente ook legio. “Ben ik daarvoor gekomen?” Zij ontvangen mij allerhartelijkst. Ze vertellen over de kerk die steeds verder moet inkrimpen en hun bezorgdheid daarover. Over hun werk voor de vrijwillige hulpverlening. Schrijnende en ontroerende verhalen over noden in de wijk waar vrijwilligers zoals zij geweldig werk doen. “Waarom?” vraag ik, als hij heeft verteld hoe hij het weekend voor kerst het hele weekend alle mensen in het telefoonboek had gebeld met dezelfde achternaam als een man die vereenzaamd was gestorven. En nog tevergeefs ook. Uiteindelijk waren hij en zijn vrouw als enigen naar de crematie gegaan. “Waarom? Het gaat toch om een mens.”
Ik neem afscheid, onder de indruk van de enorm positieve instelling van deze mensen, die veel afgebroken zien worden van wat hun dierbaar is, maar toch met liefde over de wijk en de mensen in die wijk spreken. Maar was dit nou exposure of was dit gewoon huisbezoek?
Gewoon gezellig
Eenmaal terug in de Triumfatorkerk worden ervaringen uitgewisseld in groepjes. Wat mij allereerst opvalt, is hoezeer de verwachtingen vooraf uiteengelopen moeten hebben. Ik had zelf dus kennelijk op iets exotisch gerekend. Ik ben jaloers op collega’s die naar Turkse pizzabakkers zijn gestuurd of door een Marokkaanse man langs de moskee zijn geleid.
Anderen hadden na alle berichten in de media over Kanaleneiland gedacht dat ze hier – bij wijze van spreken – over de problemen zouden zijn gestruikeld. Maar hun ervaring had dit gelogenstraft: “Ik vond het gewoon gezellig, hier”. Of ze hadden mensen getroffen die het als hun taak zagen om ons van dit vooroordeel af te helpen. “Mijn gastheer en gastvrouw bleven maar zeggen wat een leuke wijk dit is en wat een goede dingen hier gebeuren.”
Nog weer een ander had gehoopt dat de kerk hier meer geïntegreerd zou zijn. Dat men hier in de stad verder zou zijn dan elders in de contacten met verschillende bevolkingsgroepen. “Volgens mij is het hier net zo’n middenklasse-gemeente als bij ons.”
Ik herinner mij opeens dat ?zerman ’s morgens heeft gezegd dat exposure onder andere tot doel heeft om je bewust te worden van je vooroordelen. En opeens zie ik dat ik misschien toch wel aan exposure heb gedaan. Ik heb een reëel stukje Kanaleneiland gezien in plaats van dat irreële plaatje in mijn hoofd van een wijk met problemen/leuke integratieprojecten/ alternatieve kerkvormen of vul welk verwachtingspatroon dat van toepassing is, maar in.
Wat heb je hier nu aan?
Ik stel in het kleine groepje de vraag aan ?zerman die mij op de lippen brandt: “Is die hele exposure niet veel te weinig doelmatig? Ik probeer in mijn werk juist steeds meer in doelen te denken, als het even kan zelfs meetbaar.” Ik hoop dat ?zerman mijn woorden niet interpreteert alsof ik exposure een duur woord vind voor wat Nescio ‘uitvreten’ noemde. Ik weet dat dat gevoelig ligt, want die kritiek klinkt vaak vanuit kerkelijke hoek.
“Nee,” zegt ?zerman, “exposure is geen doel, maar juist een middel om tot een ordentelijk werkplan te komen. Het gaat er juist om dat je je afvraagt: waarom doen wij wat wij doen? In wiens belang? Wie vraagt hierom? Wat zijn de vragen van de mensen? Als je dát in kaart hebt gebracht, kun je aan de slag. Ik zal een voorbeeld noemen: een mooi kerkgebouw als dit waarin we zitten. Vaak willen wij mensen naar de kerk hebben. Maar wat als mensen uit de buurt op zoek zijn naar ruimte voor hun activiteiten en vragen of dat hier kan?”
Opeens begint het mij te dagen. Mensen als ik gaan vaak veel te snel aan de slag. Je doet dingen omdat je denkt dat het zo hoort in de kerk. Of omdat het jezelf of de andere mensen in de kerk zo’n prettig gevoel geeft. “Hoe begin je in een nieuwe gemeente”, zegt een collega na afloop. “Je gaat op bezoek op de adressen die de ouderlingen je doorgeven, je treedt toe tot allerlei vergadercircuits en voor je het weet ben je opgenomen in een louter binnenkerkelijke wereld.” Mijn gemeente heeft in het beleidsplan staan dat men een missionaire gemeente wil zijn. Maar hoe zou mijn start in mijn gemeente zijn geweest als men mij in dat kader eerst had opgedragen een exposure van drie maanden uit te voeren?
Tot slot zou ik daarom twee stellingen willen poneren:
-
een predikant die in een nieuwe gemeente begint zou op een of andere manier een exposure moeten doen. Welke predikant of kerkenraad durft dat aan?
- Buurtpastores en andere pastores zouden elkaar vaker moeten treffen. Buurtpastores zouden zo wellicht worden gedwongen concretere doelen te stellen, maar bovenal zouden overige pastores zo kunnen leren zich periodiek af te vragen in wier belang hun activiteiten plaats hebben.
WEERWOORD 1
door Pieter J. Huiser
Aarnoud van der Deijl is waarschijnlijk niet de enige die met enige bevreemding de Geruchtdag in januari heeft bijgewoond. Hij vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen dat die 'brede theologische, wetenschappelijke en culturele interesse' al na twee jaar is uitgemond in een workshop bij de accountant over euro's terughalen bij de fiscus. En inderdaad, als je alleen op deze manier tegen deze dag aan zou kunnen kijken, is het inderdaad een triest resultaat van drie jaar Op Goed Gerucht.
Hoezeer ik me zijn interpretatie kan voorstellen, verschil ik daarover toch met Aarnoud van mening. Het idee voor deze dag is opgekomen vanuit een bezorgdheid over de wijze waarop de landelijke kerk, en ook tot voor kort de Bond van Predikanten, met de materiële belangen van predikanten omspringt respectievelijk omsprong. Als wij, als leden van Op Goed Gerucht, zeggen dat wij predikanten zijn die midden in deze samenleving staan, hebben we ook dezelfde problemen en noden als anderen, en moeten we daar dus aandacht voor hebben, al was het maar vanuit een collegiale pastorale bewogenheid. Te veel heb ik met verschillende predikanten gesproken die als eenverdiener een gezin onderhouden. Vaak hoor ik in mijn omgeving dat dit geen sinecure is. Zeker niet als je ook nog kinderen hebt die studeren. Het blijkt dat er onder predikanten ook, net zo als elders, financiële problemen spelen. Op Goed Gerucht is een plek waar aandacht is voor alle aspecten van het predikantsambt. En daar horen deze aspecten dus ook bij.
Te veel merk ik in christelijke kringen dat er een taboe rust op zakelijkheid en op het duidelijk zeggen wat je nodig hebt. En daarmee wordt m.i. impliciet ontkend dat een mens niet alleen een ziel heeft, maar ook een lichaam. En dat die twee sterk met elkaar samenhangen. En zelfs niet of nauwelijks dan alleen met grote schade uit elkaar gehaald kunnen worden en tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld. Het goede van een club als Op Goed Gerucht is nu juist dat we niet net doen alsof de economische en sociale regelmatigheden ons niet aangaan, maar dat er ook ruimte is om je gal te spuwen met betrekking tot je werk of je arbeidsomstandigheden. Ik vind dat juist Op Goed Gerucht ook daarvoor een veilige plek moet zijn. Dat is één van de redenen waarom we steeds ook gezegd hebben dat dit een club is voor in het veld werkzame theologen, en niet voor belangstellende gemeenteleden.
Wanneer we soms ons gal spuwen bij Op Goed Gerucht, kunnen we op die plaats
ook met elkaar kijken of dat terecht is of niet, en of wij er als collega’s met elkaar aandacht voor moeten hebben. Dan kunnen we ook deze ergernissen in goede banen leiden en ook vruchtbaar maken. Wanneer er mensen onder ons zijn die best met minder toe zouden kunnen en dat ook graag zouden doen, dan staat hen niets in de weg om het geld dat ze naar hun mening teveel krijgen terug te storten op de rekening van hun eigen kerkvoogdij of liever nog van de landelijke kerk. Ook daarover zouden we kunnen praten binnen Op Goed Gerucht. Tegelijk is dat misschien een mooie aanzet voor een nieuwe themagroep, waarbij je kunt proberen om een complete verzameling van de Vrekkenkrant op te duiken (en dit bedoel ik op geen enkele manier cynisch, maar is een serieus voorstel), en die doorspitten op goede tips en theologische relevantie voor deze tijd.
Natuurlijk wil ook ik niet dat Op Goed Gerucht een pressiegroep wordt voor een beter traktement. Wel wil ik graag dat ook predikanten krijgen wat zij nodig hebben in deze tijd, het begin van de 21e eeuw, en op deze plaats, een welvarend land in West-Europa. Natuurlijk wordt van een predikant ook een zekere mate van idealisme gevraagd. Zonder idealen kan je geen enkel beroep goed doen. Maar daar zit ook een andere kant aan: in mijn eigen omgeving zie ik mensen emotioneel en financieel kapot gaan aan een idealisme dat geen rekening houdt met de condition humaine. In het onderwijs is de inzet en het idealisme van veel onderwijzend personeel jarenlang als vanzelfsprekend aangenomen, en de waardering daarvoor is niet vertaald in een financiële waardering. Met als gevolg dat er nu leerkrachten te weinig zijn, en de kwaliteit van het onderwijs eronder te lijden heeft.
Waardering en financiële beloning zijn in onze geseculariseerde tijd sterk met elkaar verweven. Wanneer mensen ergens geen geld meer voor over hebben, is dat een teken dat zij dat ook niet waarderen. Dit geldt ook voor het werk van predikanten. Wanneer er in de kerk regelmatig gesproken wordt over de kosten van zoveel predikanten, wordt mij niet zozeer het gebrek aan geld duidelijk, maar het gebrek aan waardering voor het werk van de predikant. Over de betekenis van het gesprek over de kosten van de predikanten moet juist binnen Op Goed Gerucht nagedacht worden. Waarom wordt er waarde gehecht aan een predikant en waarom zouden mensen daar geld voor over moeten hebben?
Ik ben het niet met Aarnoud eens wanneer hij suggereert dat wij als dienaren van Gods Woord best wel met minder toe zouden kunnen en zouden moeten. Als er mensen onder ons zijn die dat willen en kunnen, laten zij dat dan doen. Maar ik vind het een vorm van valse vroomheid worden wanneer de suggestie wordt gewekt dat dat eigenlijk het ideaal is, en een meetlat voor ware vroomheid. We kunnen niet in elkaars portemonnee kijken.
Wij leven niet meer in de tijd van diaconessen. Natuurlijk zijn er mensen die mogelijkheden zien om predikant te zijn, zonder dat zij daar in materieel opzicht met een huidig predikantstraktement voor beloond moeten worden. Dat is prachtig. Er zijn steeds meer mensen met een partner die een royaal inkomen verwerft en die daarom het traktement eigenlijk nauwelijks nodig hebben. Ook zijn er predikanten die alleen leven en ook wel met minder toe zouden willen en kunnen. Maar dat kan geen regel zijn. Of wij moeten in de protestantse kerk het celibaat herwaarderen en voor het ambt van predikant vooral zoeken naar mensen die houden van een ascetische levensstijl en geen zorg hoeven te dragen voor geliefden, zij het kinderen, levensgezellen, ouders of broers en zussen.
GEDACHTEGOED
In "Gedachtegoed" vertellen mensen over iets dat hen heeft verrast en geinspireerd. Bijv. een bijzonder boek, een film, een initiatief etc.
door Wilma Fischer
Hartogsveld
Over Diaconaat en 'Noaberschap'
Diaconaal predikant…. in een dorp. Niet zelden fronsen mensen de wenkbrauwen wanneer ik vertel dat ik in Haaksbergen en Buurse 70 % gemeentepredikant ben en 30% diaconaal predikant. Toen ik drie jaar geleden aan deze dubbele taak begon vond ik het diaconale vooral een uitdaging, maar vroeg ik me ook af hoe ik juist dat laatste handen en voeten moest geven. Dat fronsen dat begreep ik dus wel. Maar na drie jaar hoorde ik mezelf zeggen tegen een kerkbestuurder die me vroeg of ik in zou zijn voor een 100% gemeentepredikantschap: “Absoluut niet! Als dat diaconale deel verdwijnt…. dan verdwijn ik ook….”
Wat is er gebeurd in die drie jaar? Hoe is het gekomen dat ik het diaconale deel van mijn werk niet meer als een extra uitdaging zie, maar als één van de meest wezenlijke dingen van mijn predikantschap hier in het dorp?
Ik denk terug aan de ooievaar die op het dak van de AVO werd geplaatst toen daar een baby was geboren. Aan de kinderwagen, het ledikantje en de kleertjes die ik ongevraagd kreeg met het verzoek om ze aan die ouders te geven. Ik denk terug aan de Samen–Anders–Week die helemaal staat in het teken van “multicultureel Haaksbergen” en waar elk jaar opnieuw (dit jaar voor de 12de keer) zoveel mensen elkaar ontmoeten bij het volleyballen. Zo ook bij de jeugdactiviteiten, in het verzorgingstehuis, etc. Ik denk terug aan al die mensen die gehoor gaven aan de oproep om een nacht te waken met de vluchtelingen om te pleiten voor een humaan asielbeleid. De vereende krachten waarmee een aantal keren een afbraakpand woonklaar (en gezellig) werd gemaakt toen dat nodig was. Met diezelfde vereende krachten klussen we aan een zorgboerderij voor ouderen die werkelijk een gouden greep blijkt te zijn, juist in deze omgeving.
“Naoberschap” noemen ze dat hier: opkomen voor elkaar, samen de schouders eronder, niet zeuren maar handen uit de mouwen…. De kat uit de boom kijken, niet het achterste van je tong laten zien, maar als het nodig is dan ben je de naaste van die ander, een naober. Wat dat inhoudt leerde ik toen ik de uitvaart voorbereidde van de boodschappenventer die zijn broodwinning eens een tijdlang in gevaar zag komen toen zijn rijbewijs tijdelijk werd ingenomen. Er werd niet over gepraat en ik mocht er niets van zeggen bij de uitvaart, maar de mannen van het dorp hadden een “taxirooster” gemaakt zodat het boodschappen venten gewoon door kon gaan.
In een tijd dat individualisme hoogtij viert, mensen drukker en drukker zijn en ook in ons dorp de naoberschap afbrokkelt, zie ik hoe de diaconie met vallen en opstaan probeert de naober te zijn van ongeacht welke dorpsbewoner dan ook. Dat daarbij ook landelijke en wereldwijde projecten horen spreekt voor zich.
Het is goed om te merken dat na drie jaar het vertrouwen over en weer is gegroeid. Dat de netwerken ook echt werken. Dat diaconaal werk net zo goed nodig en mogelijk is in een omgeving waar “inloophuizen” boerderijen zijn waar iedereen welkom is voor een kop koffie en een praatje.
Er ligt nog een heleboel werk te wachten in Haaksbergen en Buurse. De armoede onder boeren bijvoorbeeld is groot en vrijwel onzichtbaar. Het vakantieproject waarbij mensen een weekje uit kunnen waaien in een huisje en waarbij de zorg voor de boerderij en de vaak inwonende ouder(s) eventjes wordt overgenomen begint te lopen.
Een exposure in Buurse behelst vele koppen koffie aan de keukentafel en gesprekken tussen de koeien over melkquota en mesthuishouding. De nieuwe melkrobot werd me trots gedemonstreerd. En ik voel me trots als de boer(in) me in vertrouwen neemt en na het gesprek verbaasd en verheugt opmerkt dat de dominee al heel wat “hef annomm’n “ en zelfs al “n ’betjen plat praot”.
vooraankondiging: CREATIEVE DAG op 25 november
door Hester Smits
Op 25 november 2003 zal op het Theologisch Seminarium Hydepark
een dag worden gehouden, onder leiding van Gooitsen Eenling, voor iedereen die op een creatieve manier in het predikantsvak staat of zou willen staan. De dag is voortgekomen uit de gedachte dat predikanten over het algemeen ‘kleinkunsttalenten’ hebben maar dat die na een aantal jaren verdwijnen in de hoeveelheid werk. Na het studentencabaret en de bonte avond op het seminarie lijkt de bron voor velen op te drogen. Op de Geruchtdag in januari 2003 bleek dat gelukkig iets genuanceerder te liggen. In een workshop onder leiding van Gert Toes en Alex van Ligten hebben we toen niet alleen gezongen en gespeeld, maar ook een korte inventarisatie gemaakt van de creatieve talenten van de deelnemers in hun huidige beroep.
Om ons vak leuk te houden blijkt het schrijven van liedjes en cabareteske teksten, meedoen met de plaatselijke toneelvereniging of een musical schrijven, voor diverse vakbroeders en zusters een noodzaak te zijn.
Op 25 november organiseert Op Goed Gerucht een dag voor iedereen die houdt van toneelspelen, zingen en schrijven.
Het programma wordt begin september gemaakt en te zijner tijd krijgt iedereen, die in ons mailbestand bekend is, dit te horen. Er kunnen 20 deelnemers meedoen.
Nadere informatie:
Hester Smits
Middelhof 55
1851 BW Heiloo
tel. 072 5332840
e-mail: hestersmits@hetnet.nl
vooruitblik: HERFSTNUMMER 2003
door Rob Basten
En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf.
Dan roept Bavink 'God'. En zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is ’t een
spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft één dom
hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk
werken. En als-i denkt dat-i God heeft, dan heeft-i linnen en verf. Dan is God
overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil.
Nescio, Titaantjes
In het najaar hoopt de redactie een themanummer uit te brengen. Het nummer zal gewijd zijn aan de verhouding tussen kunst en kerk. Hierover is de laatste jaren natuurlijk al het nodige geschreven. Denk o.a. aan het boek: Kaïn of Abel…. Kunst in de kerkdienst: twee vijandige broeders? onder redactie van Dingemans/Kronenburg/Steensma (1999). Ook in het cursusaanbod van Hydepark is er de nodige aandacht voor deze thematiek.
Meer echter dan een bundeling van theologische beschouwing stellen wij ons het komende themanummer voor als een verzameling van persoonlijke documenten.
Wat doe je als predikant met de wereld van de kunst in je werk? Veel, weinig of helemaal niets? Wat zegt beeldende kunst, literatuur, theater, muziek of film, jou als het om geloven gaat?
Ben je zelf ook actief-creatief op één van deze gebieden, en zo ja, komt dat terug in je werk? Is liturgie een vorm van kunst? Of is kunst een vorm van liturgie? Is kunst een religieuze uitingsvorm? Kies je er als predikant bewust voor iets te doen met kunst in de kerk, in de dienst, in kringen, in gesprekken, of om dat juist niet te doen en op welke gronden? Kortom: Dominees en kunst, hoe zit dat precies?
Met deze vragen in ons achterhoofd en vanwege de extra werkdag die wordt georganiseerd over creativiteit en ambt op 25 november, hebben we zelf een aantal dominees, kunstenaars en dominee-kunstenaars gevraagd iets te vertellen over hoe zij aankijken tegen en omgaan met de verhouding tussen de wereld van de kunst en de wereld van de kerk.
Daarnaast nodigen wij allen uit om ook zelf in de pen te klimmen en een bijdrage aan het themanummer te leveren. We zouden het op prijsstellen wanneer je je bijdrage beperkt tot ongeveer 700 woorden.
Bijdragen graag sturen of mailen voor 1 oktober 2003 naar het redactieadres:
Rob Basten, Twijnderslaan 36, 2012 BJ Haarlem. E-mail: robbasten@antenna.nl
