home OGG Nieuws Geruchtdagen Nieuwsbrief OGG OGG in de media Inhoudelijk Wie, wat, waar, binnen OGG Links



winter 2005

Logo OGG





Geruchten - nieuws, informatie, cultuur, theologie, wetenschap

(nr.19 / winter 2005)


De nieuwsbrief Geruchten is het blad van Op Goed Gerucht.
Geruchten doet verslag van studie- en ontmoetingsdagen, en poogt uit te groeien tot platform voor discussie en inspiratie, waardoor we kennis kunnen nemen van elkaars prikkelende artikelen, hartekreten, blijmoedige preken en inspirerende ervaringen.
De site van Op Goed Gerucht zal steeds spoedig na het verschijnen van de Nieuwsbrief een selectie uit de artikelen plaatsen.

Het blad Geruchten wordt verspreid onder de leden van Op Goed Gerucht.
Predikanten kunnen zich aansluiten bij Op Goed Gerucht door zich te melden bij Hans van Solkema, Dorpsstraat4, 7245 AK Laren (Gld), e-mail: h.v.solkema@hccnet.nl.
Kosten zijn € 15 per jaar, te voldoen per acceptgiro.





Een selectie uit

Geruchten - nieuws, informatie, cultuur, theologie, wetenschap

nr. 19, winter 2005





REDACTIONEEL


door Aarnoud van der Deijl

Ook in het ooit zo rustige theologenland heeft de hype zijn intrede gedaan. Want de ietsist heeft nog maar net zijn opwachting gemaakt, of hij moet al weer de soloreligieus naast zich dulden. Lijkt mij een leuke tweespraak voor Frits Spits: ‘Komt de ene soloreligieus – bien étonné de se trouver ensemble – een andere soloreligieus tegen, zegt de ene soloreligieus tegen de andere…’ De leukste inzending bij onze redactie wordt beloond met een geheel onverzorgd verblijf van een week in een Zen-kluis.
Wie dit nummer doorleest, komt nog veel meer kleurrijke figuren tegen: de pietsist, de ietsjist, de nietseaan, de tsjaoïst en zelfs nog een goede oude piëtist. Mijn spellingcontrole weet alleen met de piëtist raad. Zou dat met ons anders zijn? Net als bij ds Gremdaat lijken de theologen heen en weer te pendelen tussen ‘ja en nee’. Innige omarmingen met deze tijdgenoot die toch in elk geval nadenkt over de vragen des levens, worden afgewisseld met kritische noten bij de distantie en het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van de ietsist.
We beginnen en eindigen dit nummer met Gijs Dingemans die onlangs een boek publiceerde over het ietsisme. Hem hebben wij gevraagd het ietsisme voor ons te schetsen. Aan Ronald Hünneman vroegen wij om als filosoof iets te schrijven over de filosofische veronderstellingen van het ietsisme. Harry Kuitert was bereid om zijn prikkelende visie op het ietsisme te geven. Kennelijk hebben theologen niet zoveel met homeopathie, want het kostte ons enige moeite om te achterhalen wat een D3-verdunning is, maar het is een driemaal 1 op 10 verdunde oplossing. Het is maar dat jullie het weten. Henk de Roest vroegen wij als praktisch theoloog te reflecteren over de vraag wat kerken met het ietsisme kunnen. Direct daarop volgt een verhaal van Tiemo Meijlink die tot zijn eigen verbazing van activist ietsist is geworden en zich daar wel bij voelt. Wouter Slob schreef als dogmaticus (dat zie je wel aan die dure Latijnse titel boven zijn artikel) een kritische beschouwing.
De rubriek ‘Laten Vieren’ hebben wij ook geprobeerd te laten aansluiten bij het thema: waar beleven ietsisten hun religieuze gevoelens? Is dat soms in kerkjes zoals in het Zeeuwse Ellewoutsdijk, waar een aantal enthousiastelingen een leegstaand kerkje heeft opgekocht om daar een goedbezocht aanbod te presenteren van concerten, lezingen en vieringen in de streektaal? In ‘Gedachtegoed’ komt de al eerder genoemde piëtist ter sprake die in zijn individualisme wel wat weg heeft van de pietsist. En wie geen genoeg kan krijgen van het ietsisme, wordt op de laatste pagina verwezen naar een
studiedag die op 20 maart 2006 in Leiden wordt gehouden over het boek van Gijs Dingemans. En dan is de cirkel rond.



Begin pagina



IETSISME ALS NULPUNT


door G.D.J. Dingemans


Christenen in West-Europa hebben op het ogenblik vaak het gevoel met hun rug tegen een muur te worden gedrukt.
Aan de ene kant slaat de moderne natuurwetenschappelijke en economische mode alle godsbesef dood en aan de andere kant worden we belaagd door een irrationeel fundamentalisme dat vasthoudt aan voorbije voorstellingen en soms zelfs of op een fanatieke wijze de wereld probeert te veroveren voor niet erg aantrekkelijke idealen. Zowel binnen het christendom als in de islam komen de beide tendensen voor. En daarom zie je dat veel mensen zich terugtrekken op een aarzelend ietsisme: er zal we ‘iets’ zijn, maar ze zijn bang voor het fanatisme dat in veel gevestigde godsdiensten schuilt. Ze schrikken echter ook terug voor de dreigende wereld van uitzichtloze bureaucratie en van een technologie met een allesoverheersende marktwerking.

De term ‘ietsisme’ is oorspronkelijk een “denigrerend bedoeld, slonzig etiket, door radicale atheïsten geplakt op al degenen die niet langer traditioneel godsdienstig willen zijn, maar kennelijk onvoldoende lef hebben om het nietsisme - dat is het enig zaligmakend geloof der etikettenplakkende godloochenaars – te omarmen.” (Gert J. Peelen in de Volkskrant). Er is echter ook een keerzijde: mensen die geschrokken zijn van de leegheid van het nietsisme, zoals dat al was voorzien door Nietzsche en Heidegger en dat nu realiteit dreigt te worden in onze postmoderne cultuur, komen tot het besef dat er toch wel ‘iets’ moet zijn achter onze werkelijkheid. Maar ze weten niet wat ze met dat besef moeten doen. Bepaalt dat ‘iets’ ons leven? Of moet je het zien als een soort oriëntatiepunt? Heel veel mensen kunnen aan hun religieuze gevoelens geen vorm meer geven, omdat de kerkelijke vormen en riten hun niet meer aanspreken en ze de taal en de referentiekaders missen om er zelf woorden voor te vinden. Dat gat wordt daarom vaak opgevuld met beelden en woorden uit ‘esoterische’ godsdiensten, zoals mijn boekhandel dat noemt. Dan is het een kwestie van naamgeving. En daar kun je verschillende kanten mee op.

In mijn boekje over het Ietsisme heb ik geprobeerd om dat besef – in het voetspoor van de grote Schleiermacher – een aanknopingspunt te laten zijn voor een (andere) christelijke spiritualiteit. Schleiermacher kon in zijn tijd uitgaan van een algemeen besef van een ‘volstrekt afhankelijkheidsgeloof ’ als basis voor zijn theologie. Dat kan naar mijn inzicht niet meer. Wij hebben dat basale afhankelijkheidsgevoel niet meer op die wijze. Paul Tillich heeft zich in het begin van de twintigste eeuw aangesloten bij een meer utopistische manier van denken, toen hij in zijn Systematic Theology religie omschreef als gerichtheid op dat wat ons ‘unbedingt angeht’ of ‘ultimate concern’: datgene waarvoor we ons onvoorwaardelijk inzetten. Ook dat gevoel zijn we in de laatste decennia kwijt geraakt. We beseffen maar al te goed dat we wel veel kunnen, maar dat het leven toch niet geheel en al maakbaar is. Wij voelen ons weliswaar soms verschrikkelijk onmachtig, maar we hebben tegelijk ook het gevoel dat we toch heel veel in ons eigen leven en in onze eigen omgeving kunnen beïnvloeden en zelf vorm kunnen geven. Er staat ons een technische wereld ter beschikking, die ongelofelijk veel kan, maar ons tegelijk ook angst aanjaagt. We leven in een mondiale wereld die ons talloze mogelijkheden biedt en tegelijk bedreigend is. Wij zijn veel ambivalenter geworden dan de mensen van de negentiende en twintigste eeuw.
Daarom ben ik uitgegaan van de analyses van Rudolf Otto, die het heilige dat zich in onze wereld manifesteert, aanduidde met de term: het numineuze. En dat numineuze is tegelijk fascinerend en huiveringwekkend. Het trekt ons aan en het stoot ons af. Dat boek is uit 1917, maar het geeft naar mijn inzicht precies de toestand aan waarin de ietsist van het begin van de eenentwintigste eeuw zich bevindt.

Nu het besef van een persoonlijke God die in de ‘hemel troont’, ons uit handen is geslagen, hebben we nieuwe beelden nodig om ons de ‘Bron van het leven’ voor te stellen. We moeten woorden voor het Iets vinden, die enerzijds aansluiten bij de christelijke traditie, maar anderzijds ook passen bij onze voorstellings- en ervaringswereld. Ik heb zelf in een langzaam proces van secularisatie en God-is-dood-theologie afscheid moeten nemen van een ‘God up there’, via het nulpunt van het ‘Iets’ naar God als een allesomvattende – maar niet allesdoordringende – liefdevolle Energie of Kracht (dynamis), die zich aanwezig toont in mensen en via mensen met ons meegaat en meewerkt aan de voltooiing van zijn schepping. ‘Allesomvattend’ als de liefdevolle kloek die haar kuikens omringt en verzorgt. Maar tegelijk ‘ruimte gevend’ aan haar kinderen zodat ze kunnen uitgroeien tot volwaardige wezens. Veel mensen leven op het ogenblik in de ‘terugtrekkende’ beweging naar het nulpunt van het ‘iets’. Misschien kunnen we ze helpen om te komen tot de ruimte van de omvattende God, die meegaat en ruimte geeft; die aanwezig is en zich niet opdringt; die niet heerst maar lokt en lief heeft.

Voor mij is Jezus de voorbeeldfiguur geworden van iemand, die op een van de breuklijnen van de geschiedenis, op een fascinerende manier, een nieuwe weg is ingeslagen en ons God op een andere manier, maar aansluitend bij de ‘oude’ nieuwe ontdekkingen van Israël heeft laten ervaren. Hij is de weg van gerechtigheid en barmhartigheid gegaan. In aandacht en met hulp voor mensen. Een weg die ten slotte moet leiden naar het herstel, de vernieuwing en voltooiing van de schepping. Daarin is hij een representant – een ‘vermenselijking’ – van God zelf geworden. In hem – en zijn navolgers – werkt God in op onze wereld. Via hem kan de omweg via het nulpunt van het ietsisme leiden tot een nieuwe manier van de wereld beleven.



Begin pagina



IETSJISTEN & NIETSEANEN


door Ronals Hünneman


Hebben onze dierbaarste overtuigingen een rechtvaardiging nodig? Is er een realiteit boven of buiten ons op basis waarvan wij de wijze waarop wij in het leven staan kunnen verantwoorden? Hoe hard hebben wij een dergelijke metafysische realiteit nodig?
Deze en soortgelijke vragen vormen het hart van de discussies waarin de filosofen Richard Rorty en Gianni Vattimo zich mengen. Want, door de postmoderne opheffing van de Absolute Waarheid is er een beangstigend rechtvaardigingsvacuüm ontstaan. En in die leegte ligt het alles verlammende Relativisme op de loer. Als er immers geen Waarheid meer is, wat rechtvaardigt dan onze manier van leven, onze maatschappij en onze ethische beslissingen? Als er geen Eeuwig Fundament is onder ons denken en handelen, wie zijn wij dan om anderen te veroordelen? Dan heeft iedere cultuur, of zelfs ieder mens, recht op een eigen waarheid, waar wij niets over te zeggen hebben. Apathisch Relativisme is dan de eindtoestand.

Niet door postmodernistische overwegingen geplaagde wetenschappers hebben een probaat middel tegen deze ziekelijke toestand: de Objectieve Werkelijkheid. Wetenschappelijke theorieën krijgen hun status door ze te toetsen, te “confronteren met de werkelijkheid.” Zolang een theorie niet onjuist is gebleken, kan die het uitgangspunt vormen voor kritiek. Kritiek op, bijvoorbeeld, alternatieve geneeswijzen (via de dubbelblinde proef), of op creationisten (via de big bang en de evolutietheorie) of op ethiek (via psychologie).
Ook godsdiensten laten zich over het algemeen niet lamleggen door Apathisch Relativisme. Hier zijn het de geopenbaarde Goddelijke Waarheden die een specifieke levenswijze rechtvaardigen. Evolutionisten, abortionisten en bigamisten kunnen daarom allemaal met een gerust hart veroordeeld worden.

Het is dan ook geen wonder dat de Wetenschap en de Kerk elkaar de laatste eeuwen steeds in de haren vliegen. Want God is geen term uit een toetsbare wetenschappelijke theorie, en tegelijkertijd maakt geen enkele wetenschappelijke theorie een veroordeling mogelijk van vrouwenbesnijdenis, lijfstraffen of een kastensysteem. Deze tekortkomingen zijn voor beide partijen genoeg om de ander te veroordelen, en het fundament onder hun eigen denkbeelden te koesteren.

Rorty en Vattimo daarentegen aanvaarden de postmoderne kritiek op de Buitenmenselijke Waarheid. Zij beschouwen Objectiviteit en Eeuwige Waarheid als constructen van menselijke culturen, niets meer dan dat. Maar, zo haasten Rorty en Vattimo zich om er aan toe te voegen, ook niets minder. Uiteindelijke toetsstenen zijn constructen die een zinvolle en gecoördineerde omgang tussen mensen mogelijk maken. Dat maakt ze uitermate waardevol, zolang we er maar van doordrongen blijven dat het nooit Eeuwige, Onveranderlijke en Alles Rechtvaardigende Fundamenten zijn.

Postmodernisme vraagt slechts om een andere houding ten opzichte van het eigen denken, niet om een volledige relativering daarvan. Rorty duidt die houding aan met de term ironie, Vattimo met de term verzwakking. Beide termen geven het besef aan dat de eigen dierbare denkbeelden altijd ondermijnd kunnen worden, en nooit een absolute status mogen krijgen.

Vattimo leest in het Nieuwe Testament precies deze postmoderne boodschap. De inhoud van de menswording van God (kenose) is letterlijk dat er geen Bovenmenselijke Waarheid meer is. Waar eerst Iets was is nu niets. God heeft zichzelf verzwakt, de Waarheid bevindt zich niet langer in de Hemel, maar in medemensen.

Vattimo en Rorty zijn dus beide “nietseanen”: ze verklaren de bovenmenselijke ruimte leeg en verdwenen (dus niet ietsje gevuld of ietsje aanwezig). Daarmee komen solidariteitsvragen in de plaats van waarheidsvragen, en wordt de Eeuwige Waarheid vervangen door onvoorwaardelijke naastenliefde. Daarmee worden “Bij wie wil ik horen?”, “Van wie houd ik?”, en “Aan wie wil ik verantwoording afleggen?” de belangrijkste kentheoretische vragen die wij in de 21ste eeuw te beantwoorden hebben.




Begin pagina



IETSISME: GOD IN D3 VERDUNNING


door H.M. Kuitert


Cassianus vertelt (Coll.X,?) over een hinderlijke monnik, Serapion, die aan de ketterij van de antropomorfieten vasthield, zelfs toen de bisschop in eigen persoon (Cyrillus van Alexandrië) hem probeerde van de onhoudbaarheid van zijn vermenselijkte God te overtuigen.
Na eindeloze gesprekken, en overtuigd door zoveel geleerdheid, gaf de monnik tenslotte toe, en erkende hij zijn dwaling. De tevredenheid van de prelaten was echter van korte duur, aldus Cassianus, want de volgende morgen meldde Serapion zich alweer met de woorden: ‘wee mij, ze hebben mij mijn God afgenomen! Wie ik nu heb, ken ik niet, en tot wie ik mij in gebed moet wenden, weet ik niet’. Zijn geloof had de zo ijverig ondernomen Aufklärung niet overleefd. Hij moest voortaan leven met het ‘eenvoudig eeuwig geestelijk wezen hetwelk wij God noemen’. Maar dat wezen zei hem niets, en hij wist niet hoe hij dat wezen moest aanspreken.

En de bisschoppen? Aan die voorstellingen kan nu eenmaal geen werkelijkheid beantwoorden, zeiden ze: God is niet mensvormig, reageert niet als een mens, wordt niet boos als een mens, enzovoorts. God is boven zulke voorstellingen verheven, daar is Hij God voor. Daarom kozen ze woorden waaraan God volgens hen wel – als echte werkelijkheid – beantwoordt, en ziedaar het ‘eenvoudig eeuwig geestelijk wezen’ kwam eruit. Met 'roos' duiden we een roos aan, en met 'God' het niet aan tijd of plaats gebonden eeuwig Wezen.

Maar daarmee overspeelden de bisschoppen hun hand. Je kunt wel een Wezen bedenken dat aan jou voorafgaat, maar dat jij het bent die dat bedenkt, daaraan kom je niet voorbij. ‘Het wezen hetwelk wij god noemen’ is een menselijk bedenksel, het hangt net zo in de lucht als die primitieve voorstellingen van de bijbel. Eerst waren er mensen, en toen de bijbelschrijvers met hun mensvormige voorstellingen, en toen de theologen met hun gereinigd concept. Het verste waartoe je met je denken kunt komen is: iets of Iets moet er toch zijn. Maar iets of Iets spreekt niet aan, en je wordt er ook niet door aangesproken. Serapion was het eerste slachtoffer, miljoenen christenen zouden volgen.

De bijbel heeft het niet over een eeuwige onzienlijke Wezen. In de bijbel loopt Hij, zoals Lucebert het zo graag zag, gewoon op straat, is Hij helemaal niet onzegbaar, kijk maar wat ze allemaal over Hem weten te vertellen! Houd je je aan de bijbel, dan heb je met een mensvormige god te maken, zoals alle goden uit Mesopotamische en Semitische streken als uitvergrote mensen worden voorgesteld. Met de bijbel zit je dan ook midden in de religieuze mythe.Wie daaruit weg wil, omdat hij de bijbel liever als informatie over God leest, wordt Ietsist of ietsist. Je moet dus kiezen.

Mijn voorstel: maak van de religieuze erfenis die wij Christendom noemen, niet (al dan niet verkapte) informatie over God. Ga ermee om als met de christelijke religieuze mythe, als overgeleverde interpretatie van mens en wereld. Vanaf het moment dat je er verklede waarheden van maakt, die verwijzen naar een bovenwereld, blijft er van de voorstellingen niets meer over. Iets is de God van de bisschoppen, maar dan in D? verdunning. Dus niets. Ronald Plasterk, die de term ietsisme muntte, zag dat. De realiteit waar het geloof naar zoekt is niet een Andere Wereld die je voor waar houdt, maar is de ervaring van het ‘aangesproken worden door de verbeelding’.



Begin pagina



KERKMENSEN EN HET IETSISME


door Henk de Roest


Vrij eenvoudig is het, om het ietsisme te ridiculiseren of om het in zijn betekenis te bagatelliseren. Een kwalificatie als een ‘marginaal’ en ‘leeg’ geloof vindt onder theologen al gauw instemming.
Het ietsisme heeft ‘weinig substantie’, het ‘daagt niet uit’ en het ‘geeft geen troost’. Geloven dat er iets is leidt ook niet tot engagement en al helemaal niet tot enige gemeenschappelijkheid. Je kunt er geen kerk mee stichten en als basis voor een religieuze beweging schiet het eveneens tekort. Het is allemaal wel erg dunnetjes. Zeggen bijvoorbeeld christelijke theologen, met in hun ransel een rijke traditie, gevuld met symbolen, rituelen, overtuigingen, normen en waarden. Wie aankomt met het vermoeden, dat er ‘iets’ is, ja zelfs degene die zegt dat er ‘ergens toch wel iets moet zijn’, wordt meewarig aangekeken. Of er wordt om gegrinnikt. Wie gehuld gaat in een eeuwenoud gewaad vindt al snel dat iemand met een vaag religieus besef in zijn hemd staat. Geloven in ‘iets’ heeft niet veel om het lijf: het is grillig, oppervlakkig, modieus en weinig ‘duurzaam’. Wie beweert ‘ik geloof dat er iets is’, staat nergens voor. Zoals een theoloog het verwoordt: ‘Het is weinig gearticuleerd’.

Toch denk ik niet, dat deze neerbuigende mentaliteit goed doet. Integendeel, niemand wordt er wijzer van: wie stelt dat er iets is, niet, omdat er niet naar hem of haar wordt geluisterd. De christelijke theoloog niet, omdat hij op voorhand meent aan de ‘ietsist’ geen boodschap te hebben. Wie gelooft dat er ‘toch wel iets is’ of stelt: ‘Ik ben niet echt gelovig, maar ik geloof wel dat er iets moet zijn’, geeft hiermee echter te kennen, dat het bestaan zoals het zich aan hem voordoet in zijn ogen niet de enige werkelijkheid is. In het nadenken over het leven (‘jazeker, de ietsist denkt na over het leven’), dat wordt gestimuleerd in de eigen confrontaties met de grenzen van dat leven, evenals door het zien hoe anderen met deze begrenzing om gaan, komt het de verwonderde vraag: ‘Zou dit alles zijn, dat er is?’ Bovendien leidt het alledaagse leven in een van consumeren doortrokken cultuur bij ietsisten tot de vraag naar de zin ervan. Deze vraag kan trouwens ook opkomen bij het zien van de ellende in de wereld en of daar nu ooit een keer een einde aan komt. En het zijn deze vragen, naar het zijn en naar de zin, die kunnen leiden tot een ‘tsja, het zou kunnen zijn dat er iets is’ (door Kees Schuyt ‘tsjaoïsme’ genoemd!) of tot een ‘er moet wel iets zijn’. Daar komt bij, dat talloze bestsellers, popsongs, musicals, films (Bruce Almighty!), tekenfilms (zie vrijwel alle Disney-films!) en televisieprogramma’s allemaal hetzelfde verkondigen: er moet wel iets (meer) zijn. De boekhandel en de kiosk, maar ook de muziektempel, de bioscoop en de thuisbioscoop, lokken het gesprek uit over existentiële vragen.

Hoe kunnen mensen trouwens hun levensovertuiging op een ‘gearticuleerde manier’ to the point verwoorden? Ook binnen de christelijke traditie is dat, zelfs voor theologen, niet altijd even gemakkelijk. Wie gelooft dat er iets is dat ten grondslag ligt aan het zijn, heeft daarmee echter wellicht een besef van geborgenheid gevonden. Het geeft enige oriëntatie in het zijn en in het verlangen naar zin. Zo proberen mensen hun identiteit duurzaamheid te geven: dat zij er mogen zijn en dat zij ertoe doen. En naar mensen met deze overtuiging is binnen de kerken heel goed te luisteren en er is uitstekend mee te praten. Het christelijk geloof is immers zelf ook niet allereerst een pakket van bijbels en dogmatisch voorgegeven overtuigingen, die men moet geloven.

Christelijk geloof is primair ‘aangesproken-zijn’, en wel: door God-in-Christus. Christenen zijn door Hem getroffen. Wat kerkmensen kunnen doen is allereerst: luisteren, delen in de verwondering over het leven en vervolgens: niet meer dan vertellen en laten zien wat hun verbinding met Jezus voor hen betekent. Voor hun zienswijze en voor hun zijnswijze. En dat deze verbinding met Hem hen helpt om te leven en te sterven, dat dit hen anders doet aankijken tegen de toekomst van de wereld en hen in staat stelt om de hoop vast te houden.



Begin pagina



EEN KERK VAN "IETSJISTEN"?


door Tiemo Meijlink


Toen ik studeerde in de jaren ’70 keken we als progressieve theologiestudenten met enige minachting naar het algemene godsbesef dat er bij veel mensen in en buiten de kerk zou zijn.
Wat kon dat nou opleveren, zo’n besef van een god die een vage garantie was voor het verlangen naar troost en veiligheid dat mensen nou eenmaal hebben? Neen, het moest in de theologie gaan om de God van Israël, de God van de exodus uit het angstland Egypte. Geen vage god, geen god als garant voor de bestaande verhoudingen, maar een god die zich soeverein bekend maakt aan de mensen, een god van bevrijding. De lezer zal begrijpen dat ik geheel volgens de geest van die tijd theologisch ben gevormd.

Het is mij dan ook vreemd te moede dat ik nu een stukje schrijf over het ‘ietsisme’, en dan nog wel in positieve zin. Een mens wordt kennelijk milder, en de tijden zijn ook veranderd. Als ik nu aan studenten vertel over de sterk politiek gekleurde geloofsvisie, die er in die tijd niet alleen bij theologen maar ook bij progressieve kerkmensen aanwezig was, kijken ze me bevreemd aan. Soms vinden ze mijn verhaal zelfs hilarisch, en ik zelf op mijn beurt ook. Studenten van nu zien heus wel in dat geloof ook een maatschappelijke betekenis heeft, maar de opwinding die wij daar indertijd bij voelden, kunnen ze niet goed plaatsen. Je zou kunnen zeggen dat zij geloof vooral religieus in willen kleuren. Aandacht voor stilte, bezinning, mystiek, sfeer en beleving zijn daarvan de kenmerken. Het ietsisme lijkt bij die religieuze inkleuring aan te sluiten.

Het is interessant je af te vragen waarom die genoemde kernmerken op dit moment zo in de belangstelling staan. Waar het gaat om sfeer en beleving, sluiten ze aan bij een veel bredere trek in onze cultuur. Het rationele en intellectuele leggen het in veel opzichten af ten gunste van het emotionele en belevingsmatige.
Voor wat betreft de hang naar stilte en mystiek zou het kunnen gaan om een oprecht verlangen om te ontkomen aan de ratrace van het leven. Mensen zoeken een sfeer, een dimensie, waarin ze niet geleefd worden en eindelijk zichzelf kunnen zijn. Een godsidee dat dit zoeken versterkt, is welkom.

Kan het ietsisme in de kerk op een positieve manier ter sprake worden gebracht? Ik denk het wel; het moet zelfs, en het gebeurt ook al wel. Ietsisten zijn er in en buiten de kerk, daar ben ik zeker van. Het verlangen waar ik zonet op duidde, is ook voluit legitiem, lijkt me, en sluit aan bij allerlei noties van God die er in de kerk en in de geloofstraditie al zijn. In die zin kan het ietsisme ons opnieuw bewust maken van de grote rijkdom van onze geloofstraditie en ons wellicht op het spoor zetten die rijkdom ook echt te zoeken en te gebruiken.

Er zijn de laatste tientallen jaren prachtige theologische boeken geschreven over God. Ik denk aan titels als Gott als Geheimnis der Welt (Jüngel, 1976), Alexamenos aanbidt zijn God (Borgman, 1994), God, een open vraag (Houtepen, 1997), Een zachte soort van zijn (Benjamins, 2003). Elk voor zich boeken met een heel eigen accent, maar stuk voor stuk prachtige en relevante vertolkingen van noties uit de geloofstraditie over God. Het gaat er maar om deze denksporen te gebruiken om het ietsisme te interpreteren en positief te benaderen. De kerk is daarvoor een bij uitstek geschikte ruimte, zo lijkt me.



Begin pagina



AMA DEO ET SERVA MANDATA


door Wouter H. Slob


Misschien dat het ietsisme onverschilligheid verraadt? Niet eens de moeite willen nemen om tegen de godsdienst stelling te nemen: ‘ik geloof wel dat er Iets is (zolang dat verder maar geen implicaties voor mijn persoonlijk leven heeft).’ Als 40% van de Nederlanders zich ietsist noemt, zal dit er ongetwijfeld ook onder vallen.

Toch is er wel degelijk ook een meer serieus ietsisme. Hier gaat het dan om een (vaak herontdekte) religieuze gevoeligheid, die gekoppeld is aan een grote argwaan tegen (een vaak al eerder verworpen) godsdienstig dogmatisme. Daar kan vroomheid inzitten. Dogmatische waarheden zijn immers altijd theologische constructies die het Goddelijke Anders dreigen te verhullen: toe-eigening van waarheid, die gemakkelijk op kerkelijke macht en niet op liefdevolle openheid uitdraait.

Deze vorm van ietsisme is een typisch symptoom van het postmodernisme, dat een negatief antwoord neigt te geven op de waarheidsvraag. Het Anders-zijn van het goddelijke is niet een waarheidsaanspraak, maar juist een ontkenning van de waarheid. Wat God is weten we niet, alleen dat het Iets is.

Helaas is dit ontkennen van de waarheid zichzelf ondergravend. De enige waarheid is dat er geen waarheid is; zelf-referentieel inconsistent. De postmoderne positie wordt gemakkelijk herkend als parasitair op het voorbije modernisme, inclusief haar waarheidsaanspraken en dogmatisme. De ietsist houdt graag een distantie tegenover de gevestigde godsdienst, om op postmodern-ironische wijze, er het zijne of hare van te denken. Maar deze positie duurt slechts zolang er toegewijde dienaren zijn, die de overlevering onbeschroomd voortzetten! Wanneer er geen priesters zouden zijn om een klassieke mis op te voeren, zou Giovanni Vattimo geen plek hebben om toch méér in de religie te ervaren dan hij eens had gedacht. Zonder gevestigde godsdienst zou van de vrijblijvendheid van de ietsist, die zelf wel bepaalt wat van waarde is, uiteindelijk slechts lucht en leegte overblijven.

Zo is er dus niets nieuws onder de zon. De Prediker kent de aarzelingen van de ietsist; is niet ook het grijpen van de waarheid najagen van wind? Maar Prediker zet niet aan tot vrijblijvendheid: ‘heb ontzag voor God en leef zijn geboden na’! Juist omdat de mens de waarheid Gods niet kan doorzien, zijn we geroepen ontzag te hebben. Eerder dan een ietsistische distantie is hier religieuze bescheidenheid aan de orde. In feite, zo lijkt mij, is dit de meest radicale consequentie van een postmoderne waarheidsontkenning: erkennen dat de waarheid niet alleen niet bereikbaar is, maar dan dus geen rol meer kan spelen. Het ietsisme kent naar mijn smaak niet te weinig, maar nog teveel waarde toe aan de voorbije orde: het spook van de failliete waarheid blijft in de ontkenning immers de norm bepalen.

Wanneer de waarheid niet meer het ijkpunt kan zijn, dan hoeven we daar ook niet langer tegen te strijden. Als het dogma geen waarheid kan grijpen, zoek dan waar het wel om gaat: leven voor het aangezicht van de Heer. Maar daarin kun je de ietsistische distantie niet volhouden; dit vereist aanvaarden van religieuze verantwoordelijkheid. Als je gelooft dat er Iets is, dan moet je zorgen dat Het er blijft. Vrijblijvendheid zal het Iets tot Niets doen verdampen. Toewijding is geboden, en dan zal de ietsistische distantie tot een vrome bescheidenheid moeten worden. Zonder pretentie kunnen we dan Prediker volgen: ‘wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God.’ Wanneer verworvenheden als geschenk kunnen worden ervaren, krijgt genade betekenis. Het lijkt mij in het verlengde te liggen van het ietsisme: juist als het ‘zich-zelf ’ ondergraven is, wordt het Anders-zijn van God (weer) interessant.




LATEN VIEREN


door Jan Minnaard


't Kerkje van Ellesdiek

Oecumenische bijeenkomsten in de streektaal. Meezingmiddagen, culturele avonden en seniorenmiddagen, alle met een Zeeuws dialect als voertaal. Hiervoor kunt u terecht in de voormalige Hervormde kerk van Ellewoutsdijk.


Ellesdiek
Ellewoutsdijk, gelegen in het uiterste puntje van de “Zak van Zuid-Beveland”, is een dorpje met nog geen 400 inwoners. Het maakt deel uit van de burgerlijke gemeente Borsele. In 2000 was de hervormde gemeente van Ellewoutsdijk dermate klein geworden, dat deze werd samengevoegd met die van Driewegen. Dit betekende dat het kerkgebouw vrijkwam. Een aantal enthousiastelingen richtte de stichting”’t Kerkje van Ellesdiek” op. Deze stichting wilde van het kerkje een centrum van levensbeschouwing, cultuur en vriendschap maken. In oktober 2000 werd gestart met de eerste activiteit: een oecumenische bijeenkomst met Zuid-Bevelands als voertaal. Er volgden nog vele oecumenische bijeenkomsten (ook in andere Zeeuwse dialecten), maar ook toneelavonden, meezingmiddagen, concerten, enz.
De oecumenische bijeenkomsten, die in oktober van dit jaar hun eerste lustrum kenden, worden maandelijks gehouden op de derde zondag van de maand. (m.u.v. de maanden juli en augustus) Ze worden voorbereid door de werkgroep Levensbeschouwing. De werkgroep telt tien leden, waarvan er twee rooms-katholiek zijn. De anderen zijn van protestantse huize. De leden verzorgen de gehele bijeenkomst m.u.v. de overdenking. Deze wordt gehouden door een theologisch geschoolde vrouw of man, die een Zeeuwse streektaal beheerst.

De bezoekers van de bijeenkomsten worden bij de deur ontvangen en welkom geheten. Ze krijgen dan een liturgie uitgereikt. In deze liturgie, met op de voorkant steeds een tekening van Jopie Minnaard, staan de te zingen liederen en andere gegevens met betrekking tot de bijeenkomst. De bijeenkomsten hebben steeds een thema. Zo waren de thema’s van dit najaar tot nu toe: Verwonderieng, Van eêsten of an (vanaf het begin), Gedienke (gedenken). Na het welkomstwoord wordt er in het dialect gezongen, gebeden en gelezen uit de Bijbel. Aan de bijeenkomst werkt meestal nog een zanggroep, zanger(es), muziekgroep of vertelster mee. Tijdens de bijeenkomst wordt er gecollecteerd. Allereerst voor de Wilde Ganzen en vervolgens voor de bekostiging van de bijeenkomsten. Uit deze laatste collecte moet het geheel gefinancierd worden.

Na afloop van de bijeenkomst is er altijd koffie en thee. Opvallend is het dat bezoekers in het algemeen nog lang blijven napraten. De verantwoordelijkheid voor de bijeenkomsten berust bij de werkgroep. Er wordt niet gesproken over kerkdiensten, want er is geen kerkenraad die verantwoordelijk is.

De stichting wil de bijeenkomsten laagdrempelig houden. Iedereen is uiteraard van harte welkom. Door gebruik te maken van de streektaal wordt geprobeerd aan te sluiten bij het “gewone, alledaagse” leven. Mensen, die zich niet thuis voelen bij het kerkelijke gebeuren, voelen zich hier aangesproken. Van heinde en verre komt men deze bijeenkomsten bezoeken.

Bijbelvertaling
Voor de oecumenische bijeenkomsten worden bijbelvertalingen in een Zeeuws dialect gemaakt. De bijbelvertaalgroep, die daarvoor is opgericht, kwam al snel tot de conclusie, dat één Zeeuwse vertaling vanwege de grote plaatselijke verschillen niet goed mogelijk was. Er is dan ook gekozen voor vertalingen in het Walchers, het Noord-Zeeuws en het Zuid-Bevelands. Tot nu toe zijn er nog geen Zeeuws-Vlaamse vertalers gevonden.
In september vorig jaar verscheen de eerst uitgave, getiteld: ”’k Za je dát vertelle…” In dit boek staan de vertalingen van Ruth (in het Noord-Zeeuws), Jona (in het Walchers) en het Evangelie volgens Marcus (in het Zuid-Bevelands) Er is bij het vertalen uitgegaan van de werkvertalingen van de Nieuwe Bijbelvertaling, die beschikbaar werden gesteld door het NBG. Het boek is geïllustreerd door Jopie Minnaard. Op dit moment wordt gewerkt aan het vertalen van Genesis, Ester en De brief van Jakobus.

Informatie
De website is
www.ellesdiek.nl
Het boek ‘k Za je dát vertelle… (ISBN 90-76815-18-6)
kost 9,95 euro en is verkrijgbaar in de boekwinkel.



Begin pagina



GEDACHTEGOED


over De reis van de voorganger
door Per Olov Enquist
door Aarnoud van der Deijl


"De mensen hebben God religieuzer gemaakt dan Hij is"

Op 21 december 1995 wordt mijn moeder begraven vanuit de hernhutter kerk in Zeist. Precies op het moment dat de witte kist de witte kerk verlaat, begint het te sneeuwen. Als wij tien minuten later op de begraafplaats achter het Zusterplein zijn, is de principiële en verplichte gelijkheid van alle grafstenen nog sterker beklemtoond door een alles egaliserend pak sneeuw. Vijf jaar later strijk ik op vakantie neer in Denemarken bij een stadje Christiansfeld, een stadje genoemd naar de stichter, koning Christian VII. Geheel onwetend van het feit dat deze koning, evenals de graaf van Zeist, een goede vriend was van graaf von Zinzendorf, ga ik het stadje verkennen. Het blijkt een kopie van het Zusterplein in Zeist te zijn, inclusief de witte kerk en de begraafplaats. Nog weer exact vijf jaar later rijd ik op weg naar mijn vakantiebestemming in Tsjechië door het plaatsje Herrnhut. In mijn koffer zit een roman, De reis van de voorganger van Per Olov Enquist. Het wordt daar in het Boheemse stamland van de hernhutters een boeiende confrontatie met mijn eigen hernhutter wortels.

De roman begint bij een begrafenis op de begraafplaats in Christiansfeld. Efraïm Markström, een vriend van Enquist, wordt daar begraven en naar goed hernhutter gebruik wordt bij die gelegenheid gelezen uit de Levensloop van de man. Dat is bij mijn moeder ook gebeurd. Elke hernhutter is verplicht om een Levensloop te schrijven. Ik heb nooit geweten waarom, maar Enquist legt het uit. Von Zinzendorf geloofde dat de Bijbel een boek was met veel onvolkomenheden. Dat was ook de bedoeling. Daardoor worden wij uitgenodigd het openbaringswerk voort te zetten. De Bijbel is een work in progress en mensen zetten in hun leven dat werk voort. Daarom is elke Levensloop een voortzetting van de Bijbel.

In de Levensloop van Efraïm blijkt echter niet hijzelf centraal te staan, maar de grote man in wiens nabijheid zijn leven zich heeft afgespeeld, namelijk de Zweed Lewi Pethrus. Ik had nooit gehoord van de man. Shame on me, want de man, zo begrijp ik, is een van de meest invloedrijke religieuze leiders van de twintigste eeuw geweest. Hij heeft de Europese Pinksterbeweging gestart en bij zijn dood in 1974 was dat een beweging die wereldwijd 250 miljoen mensen omvatte. Lewi Pethrus was diep beïnvloed door het hernhutter gedachtegoed. Dat gedachtegoed omschrijft Enquist als: “Wij willen geen staatsreligies stichten, geen kerkgenootschappen, wij willen niet machtig worden. Alleen doordesemen. Een volksbeweging is een beweging in het hart van de mensen, een idee, geen organisatie. Als de idee een organisatie wordt, sterft de idee.” (p. 14-15)

Het is dit piëtisme dat een merkwaardige mengeling vormt van een intense, mystieke, vroomheid, een radicaal sociaal engagement én een overtuigd anti-institutionalisme. Pethrus heeft in zijn jonge jaren de droom om socialistisch schrijver te worden. Door het hernhutter gebruik van de Losungen, bijbelteksten die willekeurig worden geprikt en als een soort orakels functioneren, wordt hij op het spoor gezet van het voorgangerschap. Aanvankelijk vult hij dit in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw vooral in met heel veel sociaal werk onder de armen in Zweden. Als hem vlak voor zijn dood in een interview wordt gevraagd waarop hij het meest trots is, antwoordt hij: op het sociale werk van de beweging. De gelijkheid van alle mensen, zoals daar op die begraafplaats wordt gesymboliseerd, is voor hem wezenlijk.

Het is echter precies de genoemde mengeling die Pethrus en zijn beweging ook min of meer fataal wordt. Zijn beweging neemt een hoge vlucht als zich de invloedrijke literator Lidman en de goede organisator Franklin bij de beweging aansluiten. Lidman echter, die in zijn jonge jaren dweepte met nationaal-socialistische gedachten van bloed en bodem, is vooral geïnteresseerd in de mystieke kant van de Pinksterbeweging, in de bloedmystiek van Von Zinzendorf. Franklin is ervan overtuigd dat een grote beweging moet worden georganiseerd door middel van theologische opleidingen, bestuurlijke instituten en wat dies meer zij. Pethrus beschouwt het allebei als verraad aan het sociale engagement en aan het karakter van een beweging. Tussen Pethrus en beide mannen komt het tot een bittere breuk.

Het is een intrigerende roman. Het piëtisme en het (p)ietsisme blijken meer gemeen met elkaar te hebben dan die ene letter verschil. De idee dat geloof iets volstrekt individueels is en dat elke institutionalisering de dood in de pot is: “Men zag de vlam immers duidelijk uitdoven! bij de papisten! bij de theologische carrièremakers! bij de kerkbouwers! de bewakers van de absolute waarheden! de constructeurs van kerkgenootschappen! ja, in de eerste plaats bij de theologen! deze opdreuners van vragen die alleen maar tot twisten en oorlogen aanleiding gaven. Dat waren de echte raffelaars, brabbelaars, vele malen erger dan de sprekers in tongen.” (p. 294)

De kracht van Enquist is dat hij Pethrus aan de ene kant met heel veel liefde en bewondering beschrijft, maar aan de andere kant op ironische wijze (zie alle uitroeptekens in het citaat hierboven) de anomalieën en impasses uit deze denkwijze blootlegt. Dat geeft veel te denken. Want zou niet ook het (p)ietsisme als vanzelf weer hetzij ongecontroleerde bloed-en-bodem-mystiek oproepen (je kunt bij CDA’er Wijn zelfs al je beroepskosten als heks van de belasting aftrekken) en aan de andere kant juist een grotere controledrang, inclusief een omgekeerd evenredige tolerantie jegens minderheden?
Verplichte literatuur dus, deze roman, voor Pinkstergelovigen! (de leiding van de Berea-beweging bijvoorbeeld!), ietsisten!, maar zeker voor die beroepsbrabbelaars!, de theologen!



Begin pagina

Startpagina Op Goed Gerucht