REDACTIONEEL
door Aarnoud van der Deijl
Ook in het ooit zo rustige theologenland heeft de hype
zijn intrede gedaan. Want de ietsist heeft nog maar
net zijn opwachting gemaakt, of hij moet al weer de
soloreligieus naast zich dulden. Lijkt mij een leuke
tweespraak voor Frits Spits: ‘Komt de ene soloreligieus
– bien étonné de se trouver ensemble – een andere
soloreligieus tegen, zegt de ene soloreligieus tegen de
andere…’ De leukste inzending bij onze redactie wordt
beloond met een geheel onverzorgd verblijf van een
week in een Zen-kluis.
Wie dit nummer doorleest, komt nog veel meer kleurrijke figuren
tegen: de pietsist, de ietsjist, de nietseaan, de tsjaoïst en zelfs
nog een goede oude piëtist. Mijn spellingcontrole weet alleen
met de piëtist raad. Zou dat met ons anders zijn? Net als bij ds
Gremdaat lijken de theologen heen en weer te pendelen tussen
‘ja en nee’. Innige omarmingen met deze tijdgenoot die toch in
elk geval nadenkt over de vragen des levens, worden afgewisseld
met kritische noten bij de distantie en het gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef
van de ietsist.
We beginnen en eindigen dit nummer met Gijs Dingemans die
onlangs een boek publiceerde over het ietsisme. Hem hebben
wij gevraagd het ietsisme voor ons te schetsen. Aan Ronald
Hünneman vroegen wij om als filosoof iets te schrijven over de
filosofische veronderstellingen van het ietsisme. Harry Kuitert
was bereid om zijn prikkelende visie op het ietsisme te geven.
Kennelijk hebben theologen niet zoveel met homeopathie,
want het kostte ons enige moeite om te achterhalen wat een
D3-verdunning is, maar het is een driemaal 1 op 10 verdunde
oplossing. Het is maar dat jullie het weten. Henk de Roest
vroegen wij als praktisch theoloog te reflecteren over de vraag
wat kerken met het ietsisme kunnen. Direct daarop volgt een
verhaal van Tiemo Meijlink die tot zijn eigen verbazing van activist
ietsist is geworden en zich daar wel bij voelt. Wouter Slob schreef
als dogmaticus (dat zie je wel aan die dure Latijnse titel boven zijn
artikel) een kritische beschouwing.
De rubriek ‘Laten Vieren’ hebben wij ook geprobeerd te
laten aansluiten bij het thema: waar beleven ietsisten hun
religieuze gevoelens? Is dat soms in kerkjes zoals in het
Zeeuwse Ellewoutsdijk, waar een aantal enthousiastelingen een
leegstaand kerkje heeft opgekocht om daar een goedbezocht
aanbod te presenteren van concerten, lezingen en vieringen in
de streektaal?
In ‘Gedachtegoed’ komt de al eerder genoemde piëtist ter sprake
die in zijn individualisme wel wat weg heeft van de pietsist.
En wie geen genoeg kan krijgen van het ietsisme, wordt op de
laatste pagina verwezen naar een studiedag die op 20 maart 2006
in Leiden wordt gehouden over het boek van Gijs Dingemans. En
dan is de cirkel rond.
IETSISME ALS NULPUNT
door G.D.J. Dingemans
Christenen in West-Europa
hebben op het ogenblik vaak het
gevoel met hun rug tegen een
muur te worden gedrukt.
Aan
de ene kant slaat de moderne
natuurwetenschappelijke en
economische mode alle godsbesef
dood en aan de andere
kant worden we belaagd door
een irrationeel fundamentalisme
dat vasthoudt aan voorbije
voorstellingen en soms
zelfs of op een fanatieke wijze
de wereld probeert te veroveren
voor niet erg aantrekkelijke
idealen. Zowel binnen het
christendom als in de islam
komen de beide tendensen
voor. En daarom zie je dat veel
mensen zich terugtrekken op
een aarzelend ietsisme: er zal
we ‘iets’ zijn, maar ze zijn bang
voor het fanatisme dat in veel
gevestigde godsdiensten schuilt.
Ze schrikken echter ook terug
voor de dreigende wereld van
uitzichtloze bureaucratie en
van een technologie met een
allesoverheersende marktwerking.
De term ‘ietsisme’ is oorspronkelijk
een “denigrerend
bedoeld, slonzig etiket, door
radicale atheïsten geplakt op al
degenen die niet langer traditioneel
godsdienstig willen zijn,
maar kennelijk onvoldoende
lef hebben om het nietsisme -
dat is het enig zaligmakend geloof
der etikettenplakkende
godloochenaars – te omarmen.”
(Gert J. Peelen in de
Volkskrant). Er is echter ook een
keerzijde: mensen die geschrokken
zijn van de leegheid
van het nietsisme, zoals dat al
was voorzien door Nietzsche
en Heidegger en dat nu realiteit
dreigt te worden in onze
postmoderne cultuur, komen
tot het besef dat er toch wel
‘iets’ moet zijn achter onze
werkelijkheid. Maar ze weten
niet wat ze met dat besef moeten
doen. Bepaalt dat ‘iets’ ons
leven? Of moet je het zien als
een soort oriëntatiepunt? Heel
veel mensen kunnen aan hun
religieuze gevoelens geen vorm
meer geven, omdat de kerkelijke
vormen en riten hun niet
meer aanspreken en ze de taal
en de referentiekaders missen
om er zelf woorden voor te
vinden. Dat gat wordt daarom
vaak opgevuld met beelden en
woorden uit ‘esoterische’ godsdiensten,
zoals mijn boekhandel
dat noemt. Dan is het een
kwestie van naamgeving. En
daar kun je verschillende kanten
mee op.
In mijn boekje over het
Ietsisme heb ik geprobeerd om
dat besef – in het voetspoor
van de grote Schleiermacher –
een aanknopingspunt te laten
zijn voor een (andere) christelijke
spiritualiteit. Schleiermacher
kon in zijn tijd uitgaan
van een algemeen besef van
een ‘volstrekt afhankelijkheidsgeloof
’ als basis voor zijn theologie.
Dat kan naar mijn inzicht
niet meer. Wij hebben dat
basale afhankelijkheidsgevoel
niet meer op die wijze. Paul
Tillich heeft zich in het begin
van de twintigste eeuw aangesloten
bij een meer utopistische
manier van denken, toen hij in
zijn Systematic Theology religie
omschreef als gerichtheid op
dat wat ons ‘unbedingt angeht’
of ‘ultimate concern’: datgene
waarvoor we ons onvoorwaardelijk
inzetten. Ook dat gevoel
zijn we in de laatste decennia
kwijt geraakt. We beseffen
maar al te goed dat we wel veel
kunnen, maar dat het leven
toch niet geheel en al maakbaar
is. Wij voelen ons weliswaar
soms verschrikkelijk onmachtig,
maar we hebben
tegelijk ook het gevoel dat we
toch heel veel in ons eigen
leven en in onze eigen omgeving
kunnen beïnvloeden en zelf
vorm kunnen geven. Er staat
ons een technische wereld ter
beschikking, die ongelofelijk
veel kan, maar ons tegelijk ook
angst aanjaagt. We leven in
een mondiale wereld die ons
talloze mogelijkheden biedt en
tegelijk bedreigend is. Wij zijn
veel ambivalenter geworden
dan de mensen van de negentiende
en twintigste eeuw.
Daarom ben ik uitgegaan van
de analyses van Rudolf Otto,
die het heilige dat zich in onze
wereld manifesteert, aanduidde met de term: het numineuze.
En dat numineuze is tegelijk
fascinerend en huiveringwekkend.
Het trekt ons aan en het
stoot ons af. Dat boek is uit
1917, maar het geeft naar mijn
inzicht precies de toestand aan
waarin de ietsist van het begin
van de eenentwintigste eeuw
zich bevindt.
Nu het besef van een persoonlijke
God die in de ‘hemel
troont’, ons uit handen is
geslagen, hebben we nieuwe
beelden nodig om ons de ‘Bron
van het leven’ voor te stellen.
We moeten woorden voor het
Iets vinden, die enerzijds aansluiten
bij de christelijke traditie,
maar anderzijds ook passen
bij onze voorstellings- en ervaringswereld.
Ik heb zelf in een
langzaam proces van secularisatie
en God-is-dood-theologie
afscheid moeten nemen van
een ‘God up there’, via het
nulpunt van het ‘Iets’ naar
God als een allesomvattende –
maar niet allesdoordringende
– liefdevolle Energie of Kracht
(dynamis), die zich aanwezig
toont in mensen en via mensen
met ons meegaat en meewerkt
aan de voltooiing van zijn
schepping. ‘Allesomvattend’ als
de liefdevolle kloek die haar
kuikens omringt en verzorgt.
Maar tegelijk ‘ruimte gevend’
aan haar kinderen zodat ze
kunnen uitgroeien tot volwaardige
wezens. Veel mensen leven
op het ogenblik in de ‘terugtrekkende’
beweging naar het
nulpunt van het ‘iets’. Misschien
kunnen we ze helpen om te
komen tot de ruimte van de
omvattende God, die meegaat
en ruimte geeft; die aanwezig
is en zich niet opdringt; die niet
heerst maar lokt en lief heeft.
Voor mij is Jezus de voorbeeldfiguur
geworden van
iemand, die op een van de
breuklijnen van de geschiedenis,
op een fascinerende manier,
een nieuwe weg is ingeslagen
en ons God op een andere manier,
maar aansluitend bij de
‘oude’ nieuwe ontdekkingen
van Israël heeft laten ervaren.
Hij is de weg van gerechtigheid
en barmhartigheid gegaan. In
aandacht en met hulp voor
mensen. Een weg die ten slotte
moet leiden naar het herstel,
de vernieuwing en voltooiing
van de schepping. Daarin is hij
een representant – een ‘vermenselijking’
– van God zelf
geworden. In hem – en zijn navolgers
– werkt God in op onze
wereld. Via hem kan de omweg
via het nulpunt van het ietsisme
leiden tot een nieuwe
manier van de wereld beleven.
IETSJISTEN & NIETSEANEN
door Ronals Hünneman
Hebben onze dierbaarste overtuigingen
een rechtvaardiging nodig? Is er een
realiteit boven of buiten ons op basis
waarvan wij de wijze waarop wij in
het leven staan kunnen verantwoorden?
Hoe hard hebben wij een dergelijke
metafysische realiteit nodig?
Deze en soortgelijke vragen
vormen het hart van de discussies
waarin de filosofen Richard
Rorty en Gianni Vattimo zich
mengen. Want, door de postmoderne
opheffing van de
Absolute Waarheid is er een
beangstigend rechtvaardigingsvacuüm
ontstaan. En in die
leegte ligt het alles verlammende
Relativisme op de loer. Als
er immers geen Waarheid meer
is, wat rechtvaardigt dan onze
manier van leven, onze maatschappij
en onze ethische
beslissingen? Als er geen
Eeuwig Fundament is onder
ons denken en handelen, wie
zijn wij dan om anderen te veroordelen?
Dan heeft iedere
cultuur, of zelfs ieder mens,
recht op een eigen waarheid,
waar wij niets over te zeggen
hebben. Apathisch Relativisme
is dan de eindtoestand.
Niet door postmodernistische
overwegingen geplaagde
wetenschappers hebben een
probaat middel tegen deze
ziekelijke toestand: de Objectieve
Werkelijkheid. Wetenschappelijke
theorieën krijgen
hun status door ze te toetsen,
te “confronteren met de werkelijkheid.”
Zolang een theorie
niet onjuist is gebleken, kan die
het uitgangspunt vormen voor
kritiek. Kritiek op, bijvoorbeeld,
alternatieve geneeswijzen
(via de dubbelblinde
proef), of op creationisten (via
de big bang en de evolutietheorie)
of op ethiek (via psychologie).
Ook godsdiensten laten zich
over het algemeen niet lamleggen
door Apathisch Relativisme.
Hier zijn het de geopenbaarde
Goddelijke Waarheden
die een specifieke levenswijze
rechtvaardigen. Evolutionisten,
abortionisten en bigamisten
kunnen daarom allemaal met
een gerust hart veroordeeld
worden.
Het is dan ook geen wonder
dat de Wetenschap en de Kerk
elkaar de laatste eeuwen steeds
in de haren vliegen. Want God
is geen term uit een toetsbare
wetenschappelijke theorie, en
tegelijkertijd maakt geen enkele
wetenschappelijke theorie een
veroordeling mogelijk van
vrouwenbesnijdenis, lijfstraffen
of een kastensysteem. Deze tekortkomingen
zijn voor beide
partijen genoeg om de ander
te veroordelen, en het fundament
onder hun eigen denkbeelden
te koesteren.
Rorty en Vattimo daarentegen
aanvaarden de postmoderne
kritiek op de
Buitenmenselijke Waarheid.
Zij beschouwen Objectiviteit en
Eeuwige Waarheid als constructen
van menselijke culturen,
niets meer dan dat. Maar, zo
haasten Rorty en Vattimo zich
om er aan toe te voegen, ook
niets minder. Uiteindelijke
toetsstenen zijn constructen
die een zinvolle en gecoördineerde
omgang tussen mensen
mogelijk maken. Dat maakt ze
uitermate waardevol, zolang
we er maar van doordrongen
blijven dat het nooit Eeuwige,
Onveranderlijke en Alles
Rechtvaardigende Fundamenten
zijn.
Postmodernisme vraagt
slechts om een andere houding
ten opzichte van het eigen denken,
niet om een volledige relativering
daarvan. Rorty duidt
die houding aan met de term
ironie, Vattimo met de term
verzwakking. Beide termen
geven het besef aan dat de
eigen dierbare denkbeelden
altijd ondermijnd kunnen
worden, en nooit een absolute
status mogen krijgen.
Vattimo leest in het Nieuwe
Testament precies deze postmoderne
boodschap. De inhoud
van de menswording van
God (kenose) is letterlijk dat er
geen Bovenmenselijke Waarheid
meer is. Waar eerst Iets
was is nu niets. God heeft
zichzelf verzwakt, de Waarheid
bevindt zich niet langer in
de Hemel, maar in medemensen.
Vattimo en Rorty zijn dus
beide “nietseanen”: ze verklaren
de bovenmenselijke ruimte
leeg en verdwenen (dus niet
ietsje gevuld of ietsje aanwezig).
Daarmee komen solidariteitsvragen
in de plaats van
waarheidsvragen, en wordt de
Eeuwige Waarheid vervangen
door onvoorwaardelijke naastenliefde.
Daarmee worden
“Bij wie wil ik horen?”, “Van
wie houd ik?”, en “Aan wie wil
ik verantwoording afleggen?”
de belangrijkste kentheoretische
vragen die wij in de 21ste eeuw
te beantwoorden hebben.
IETSISME: GOD IN D3 VERDUNNING
door H.M. Kuitert
Cassianus vertelt (Coll.X,?) over een hinderlijke monnik,
Serapion, die aan de ketterij van de antropomorfieten vasthield,
zelfs toen de bisschop in eigen persoon (Cyrillus van
Alexandrië) hem probeerde van de onhoudbaarheid van
zijn vermenselijkte God te overtuigen.
Na eindeloze gesprekken,
en overtuigd door zoveel geleerdheid,
gaf de monnik tenslotte toe, en erkende hij zijn
dwaling. De tevredenheid van de prelaten was
echter van korte duur, aldus Cassianus, want de
volgende morgen meldde Serapion zich alweer
met de woorden: ‘wee mij, ze hebben mij mijn
God afgenomen! Wie ik nu heb, ken ik niet, en
tot wie ik mij in gebed moet wenden, weet ik
niet’. Zijn geloof had de zo ijverig ondernomen
Aufklärung niet overleefd. Hij moest voortaan
leven met het ‘eenvoudig eeuwig geestelijk
wezen hetwelk wij God noemen’. Maar dat
wezen zei hem niets, en hij wist niet hoe hij dat
wezen moest aanspreken.
En de bisschoppen? Aan die voorstellingen kan
nu eenmaal geen werkelijkheid beantwoorden,
zeiden ze: God is niet mensvormig, reageert
niet als een mens, wordt niet boos als een mens,
enzovoorts. God is boven zulke voorstellingen
verheven, daar is Hij God voor. Daarom kozen
ze woorden waaraan God volgens hen wel – als
echte werkelijkheid – beantwoordt, en ziedaar
het ‘eenvoudig eeuwig geestelijk wezen’ kwam
eruit. Met 'roos' duiden we een roos aan, en met
'God' het niet aan tijd of plaats gebonden eeuwig
Wezen.
Maar daarmee overspeelden de bisschoppen
hun hand. Je kunt wel een Wezen bedenken dat
aan jou voorafgaat, maar dat jij het bent die
dat bedenkt, daaraan kom je niet voorbij. ‘Het
wezen hetwelk wij god noemen’ is een menselijk
bedenksel, het hangt net zo in de lucht als die primitieve
voorstellingen van de bijbel. Eerst waren
er mensen, en toen de bijbelschrijvers met hun
mensvormige voorstellingen, en toen de theologen
met hun gereinigd concept. Het verste waartoe
je met je denken kunt komen is: iets of Iets
moet er toch zijn. Maar iets of Iets spreekt niet
aan, en je wordt er ook niet door aangesproken.
Serapion was het eerste slachtoffer, miljoenen
christenen zouden volgen.
De bijbel heeft het niet over een eeuwige
onzienlijke Wezen. In de bijbel loopt Hij, zoals
Lucebert het zo graag zag, gewoon op straat, is
Hij helemaal niet onzegbaar, kijk maar wat ze
allemaal over Hem weten te vertellen! Houd
je je aan de bijbel, dan heb je met een mensvormige
god te maken, zoals alle goden uit
Mesopotamische en Semitische streken als uitvergrote
mensen worden voorgesteld. Met de
bijbel zit je dan ook midden in de religieuze
mythe.Wie daaruit weg wil, omdat hij de bijbel
liever als informatie over God leest, wordt Ietsist
of ietsist. Je moet dus kiezen.
Mijn voorstel: maak van de religieuze erfenis
die wij Christendom noemen, niet (al dan niet
verkapte) informatie over God. Ga ermee om als
met de christelijke religieuze mythe, als overgeleverde
interpretatie van mens en wereld. Vanaf
het moment dat je er verklede waarheden van
maakt, die verwijzen naar een bovenwereld, blijft
er van de voorstellingen niets meer over. Iets is
de God van de bisschoppen, maar dan in D? verdunning.
Dus niets. Ronald Plasterk, die de term
ietsisme muntte, zag dat. De realiteit waar het
geloof naar zoekt is niet een Andere Wereld die
je voor waar houdt, maar is de ervaring van het
‘aangesproken worden door de verbeelding’.
KERKMENSEN EN HET IETSISME
door Henk de Roest
Vrij eenvoudig is het, om het ietsisme te ridiculiseren of
om het in zijn betekenis te bagatelliseren. Een kwalificatie
als een ‘marginaal’ en ‘leeg’ geloof vindt onder theologen
al gauw instemming.
Het ietsisme heeft ‘weinig
substantie’, het ‘daagt niet uit’ en het ‘geeft geen
troost’. Geloven dat er iets is leidt ook niet tot
engagement en al helemaal niet tot enige gemeenschappelijkheid.
Je kunt er geen kerk mee
stichten en als basis voor een religieuze beweging
schiet het eveneens tekort. Het is allemaal wel
erg dunnetjes. Zeggen bijvoorbeeld christelijke
theologen, met in hun ransel een rijke traditie,
gevuld met symbolen, rituelen, overtuigingen,
normen en waarden. Wie aankomt met het vermoeden,
dat er ‘iets’ is, ja zelfs degene die zegt
dat er ‘ergens toch wel iets moet zijn’, wordt meewarig
aangekeken. Of er wordt om gegrinnikt. Wie gehuld
gaat in een eeuwenoud gewaad vindt al snel
dat iemand met een vaag religieus besef in zijn
hemd staat. Geloven in ‘iets’ heeft niet veel om
het lijf: het is grillig, oppervlakkig, modieus en
weinig ‘duurzaam’. Wie beweert ‘ik geloof dat er
iets is’, staat nergens voor. Zoals een theoloog het
verwoordt: ‘Het is weinig gearticuleerd’.
Toch denk ik niet, dat deze neerbuigende mentaliteit
goed doet. Integendeel, niemand wordt
er wijzer van: wie stelt dat er iets is, niet, omdat
er niet naar hem of haar wordt geluisterd. De
christelijke theoloog niet, omdat hij op voorhand
meent aan de ‘ietsist’ geen boodschap te hebben.
Wie gelooft dat er ‘toch wel iets is’ of stelt: ‘Ik
ben niet echt gelovig, maar ik geloof wel dat er
iets moet zijn’, geeft hiermee echter te kennen,
dat het bestaan zoals het zich aan hem voordoet
in zijn ogen niet de enige werkelijkheid
is. In het nadenken over het leven (‘jazeker,
de ietsist denkt na over het leven’), dat wordt
gestimuleerd in de eigen confrontaties met de
grenzen van dat leven, evenals door het zien hoe
anderen met deze begrenzing om gaan, komt
het de verwonderde vraag: ‘Zou dit alles zijn,
dat er is?’ Bovendien leidt het alledaagse leven
in een van consumeren doortrokken cultuur bij
ietsisten tot de vraag naar de zin ervan. Deze
vraag kan trouwens ook opkomen bij het zien
van de ellende in de wereld en of daar nu ooit
een keer een einde aan komt. En het zijn deze
vragen, naar het zijn en naar de zin, die kunnen
leiden tot een ‘tsja, het zou kunnen zijn dat er
iets is’ (door Kees Schuyt ‘tsjaoïsme’ genoemd!)
of tot een ‘er moet wel iets zijn’. Daar komt bij,
dat talloze bestsellers, popsongs, musicals, films
(Bruce Almighty!), tekenfilms (zie vrijwel alle
Disney-films!) en televisieprogramma’s allemaal
hetzelfde verkondigen: er moet wel iets (meer)
zijn. De boekhandel en de kiosk, maar ook de
muziektempel, de bioscoop en de thuisbioscoop,
lokken het gesprek uit over existentiële vragen.
Hoe kunnen mensen trouwens hun levensovertuiging
op een ‘gearticuleerde manier’ to the point
verwoorden? Ook binnen de christelijke traditie
is dat, zelfs voor theologen, niet altijd even
gemakkelijk. Wie gelooft dat er iets is dat ten
grondslag ligt aan het zijn, heeft daarmee echter
wellicht een besef van geborgenheid gevonden.
Het geeft enige oriëntatie in het zijn en in het verlangen
naar zin. Zo proberen mensen hun identiteit
duurzaamheid te geven: dat zij er mogen
zijn en dat zij ertoe doen. En naar mensen met
deze overtuiging is binnen de kerken heel goed te
luisteren en er is uitstekend mee te praten. Het
christelijk geloof is immers zelf ook niet allereerst
een pakket van bijbels en dogmatisch voorgegeven
overtuigingen, die men moet geloven.
Christelijk geloof is primair ‘aangesproken-zijn’,
en wel: door God-in-Christus. Christenen zijn
door Hem getroffen. Wat kerkmensen kunnen
doen is allereerst: luisteren, delen in de verwondering
over het leven en vervolgens: niet meer
dan vertellen en laten zien wat hun verbinding
met Jezus voor hen betekent. Voor hun zienswijze
en voor hun zijnswijze. En dat deze verbinding
met Hem hen helpt om te leven en te sterven, dat
dit hen anders doet aankijken tegen de toekomst
van de wereld en hen in staat stelt om de hoop
vast te houden.
EEN KERK VAN "IETSJISTEN"?
door Tiemo Meijlink
Toen ik studeerde in de jaren ’70
keken we als progressieve theologiestudenten
met enige minachting naar
het algemene godsbesef dat er bij veel
mensen in en buiten de kerk zou zijn.
Wat kon dat nou opleveren,
zo’n besef van een god die een
vage garantie was voor het verlangen
naar troost en veiligheid
dat mensen nou eenmaal hebben?
Neen, het moest in de
theologie gaan om de God van
Israël, de God van de exodus
uit het angstland Egypte. Geen
vage god, geen god als garant
voor de bestaande verhoudingen,
maar een god die zich
soeverein bekend maakt aan
de mensen, een god van bevrijding.
De lezer zal begrijpen dat
ik geheel volgens de geest van
die tijd theologisch ben gevormd.
Het is mij dan ook vreemd te
moede dat ik nu een stukje
schrijf over het ‘ietsisme’, en
dan nog wel in positieve zin.
Een mens wordt kennelijk
milder, en de tijden zijn ook
veranderd. Als ik nu aan
studenten vertel over de sterk
politiek gekleurde geloofsvisie,
die er in die tijd niet alleen bij
theologen maar ook bij progressieve
kerkmensen aanwezig
was, kijken ze me bevreemd
aan. Soms vinden ze mijn
verhaal zelfs hilarisch, en ik
zelf op mijn beurt ook. Studenten
van nu zien heus wel in
dat geloof ook een maatschappelijke
betekenis heeft, maar
de opwinding die wij daar
indertijd bij voelden, kunnen
ze niet goed plaatsen. Je zou
kunnen zeggen dat zij geloof
vooral religieus in willen kleuren.
Aandacht voor stilte,
bezinning, mystiek, sfeer en
beleving zijn daarvan de
kenmerken. Het ietsisme lijkt
bij die religieuze inkleuring
aan te sluiten.
Het is interessant je af te vragen
waarom die genoemde
kernmerken op dit moment zo
in de belangstelling staan.
Waar het gaat om sfeer en
beleving, sluiten ze aan bij een
veel bredere trek in onze
cultuur. Het rationele en
intellectuele leggen het in veel
opzichten af ten gunste van
het emotionele en belevingsmatige.
Voor wat betreft de hang naar
stilte en mystiek zou het kunnen
gaan om een oprecht verlangen
om te ontkomen aan de ratrace
van het leven. Mensen zoeken
een sfeer, een dimensie, waarin
ze niet geleefd worden en eindelijk
zichzelf kunnen zijn.
Een godsidee dat dit zoeken
versterkt, is welkom.
Kan het ietsisme in de kerk
op een positieve manier ter
sprake worden gebracht? Ik
denk het wel; het moet zelfs, en
het gebeurt ook al wel. Ietsisten
zijn er in en buiten de kerk,
daar ben ik zeker van. Het
verlangen waar ik zonet op
duidde, is ook voluit legitiem,
lijkt me, en sluit aan bij allerlei
noties van God die er in de
kerk en in de geloofstraditie al
zijn. In die zin kan het ietsisme
ons opnieuw bewust maken
van de grote rijkdom van onze
geloofstraditie en ons wellicht
op het spoor zetten die rijkdom
ook echt te zoeken en te
gebruiken.
Er zijn de laatste tientallen
jaren prachtige theologische
boeken geschreven over God.
Ik denk aan titels als Gott als
Geheimnis der Welt (Jüngel, 1976),
Alexamenos aanbidt zijn God
(Borgman, 1994), God, een open
vraag (Houtepen, 1997), Een
zachte soort van zijn (Benjamins,
2003). Elk voor zich boeken
met een heel eigen accent,
maar stuk voor stuk prachtige
en relevante vertolkingen van
noties uit de geloofstraditie
over God. Het gaat er maar
om deze denksporen te
gebruiken om het ietsisme te
interpreteren en positief te
benaderen. De kerk is daarvoor
een bij uitstek geschikte
ruimte, zo lijkt me.
AMA DEO ET SERVA MANDATA
door Wouter H. Slob
Misschien dat het ietsisme onverschilligheid verraadt? Niet
eens de moeite willen nemen om tegen de godsdienst stelling
te nemen: ‘ik geloof wel dat er Iets is (zolang dat verder
maar geen implicaties voor mijn persoonlijk leven heeft).’
Als 40% van de Nederlanders zich ietsist noemt, zal dit
er ongetwijfeld ook onder vallen.
Toch is er wel degelijk ook een meer serieus
ietsisme. Hier gaat het dan om een (vaak
herontdekte) religieuze gevoeligheid, die
gekoppeld is aan een grote argwaan tegen
(een vaak al eerder verworpen) godsdienstig
dogmatisme. Daar kan vroomheid inzitten.
Dogmatische waarheden zijn immers altijd
theologische constructies die het Goddelijke Anders
dreigen te verhullen: toe-eigening van waarheid,
die gemakkelijk op kerkelijke macht en niet op
liefdevolle openheid uitdraait.
Deze vorm van ietsisme is een typisch symptoom
van het postmodernisme, dat een negatief
antwoord neigt te geven op de waarheidsvraag.
Het Anders-zijn van het goddelijke is niet een
waarheidsaanspraak, maar juist een ontkenning
van de waarheid. Wat God is weten we niet, alleen
dat het Iets is.
Helaas is dit ontkennen van de waarheid zichzelf
ondergravend. De enige waarheid is dat er
geen waarheid is; zelf-referentieel inconsistent.
De postmoderne positie wordt gemakkelijk
herkend als parasitair op het voorbije
modernisme, inclusief haar waarheidsaanspraken
en dogmatisme. De ietsist houdt graag
een distantie tegenover de gevestigde godsdienst,
om op postmodern-ironische wijze, er het zijne
of hare van te denken. Maar deze positie duurt
slechts zolang er toegewijde dienaren zijn, die
de overlevering onbeschroomd voortzetten!
Wanneer er geen priesters zouden zijn om een
klassieke mis op te voeren, zou Giovanni Vattimo
geen plek hebben om toch méér in de religie
te ervaren dan hij eens had gedacht. Zonder
gevestigde godsdienst zou van de vrijblijvendheid
van de ietsist, die zelf wel bepaalt wat van waarde
is, uiteindelijk slechts lucht en leegte overblijven.
Zo is er dus niets nieuws onder de zon. De
Prediker kent de aarzelingen van de ietsist; is niet
ook het grijpen van de waarheid najagen van
wind? Maar Prediker zet niet aan tot vrijblijvendheid:
‘heb ontzag voor God en leef zijn geboden
na’! Juist omdat de mens de waarheid Gods niet
kan doorzien, zijn we geroepen ontzag te hebben.
Eerder dan een ietsistische distantie is hier
religieuze bescheidenheid aan de orde. In feite,
zo lijkt mij, is dit de meest radicale consequentie
van een postmoderne waarheidsontkenning:
erkennen dat de waarheid niet alleen niet bereikbaar
is, maar dan dus geen rol meer kan spelen.
Het ietsisme kent naar mijn smaak niet te weinig,
maar nog teveel waarde toe aan de voorbije
orde: het spook van de failliete waarheid blijft in
de ontkenning immers de norm bepalen.
Wanneer de waarheid niet meer het ijkpunt kan
zijn, dan hoeven we daar ook niet langer tegen
te strijden. Als het dogma geen waarheid kan
grijpen, zoek dan waar het wel om gaat: leven
voor het aangezicht van de Heer. Maar daarin
kun je de ietsistische distantie niet volhouden; dit
vereist aanvaarden van religieuze verantwoordelijkheid.
Als je gelooft dat er Iets is, dan moet
je zorgen dat Het er blijft. Vrijblijvendheid zal
het Iets tot Niets doen verdampen. Toewijding
is geboden, en dan zal de ietsistische distantie tot
een vrome bescheidenheid moeten worden. Zonder
pretentie kunnen we dan Prediker volgen:
‘wanneer hij zich aan eten en drinken te goed
doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam
heeft verworven, is dat een geschenk van God.’
Wanneer verworvenheden als geschenk kunnen
worden ervaren, krijgt genade betekenis. Het
lijkt mij in het verlengde te liggen van het ietsisme:
juist als het ‘zich-zelf ’ ondergraven is, wordt
het Anders-zijn van God (weer) interessant.
LATEN VIEREN
door Jan Minnaard
't Kerkje van Ellesdiek
Oecumenische bijeenkomsten in de streektaal. Meezingmiddagen,
culturele avonden en seniorenmiddagen, alle met
een Zeeuws dialect als voertaal. Hiervoor kunt u terecht in
de voormalige Hervormde kerk van Ellewoutsdijk.
Ellesdiek
Ellewoutsdijk, gelegen in het uiterste puntje van de “Zak van
Zuid-Beveland”, is een dorpje met nog geen 400 inwoners. Het
maakt deel uit van de burgerlijke gemeente Borsele.
In 2000 was de hervormde gemeente van Ellewoutsdijk
dermate klein geworden, dat deze werd samengevoegd met die
van Driewegen. Dit betekende dat het kerkgebouw vrijkwam.
Een aantal enthousiastelingen richtte de stichting”’t Kerkje van
Ellesdiek” op. Deze stichting wilde van het kerkje een centrum van
levensbeschouwing, cultuur en vriendschap maken. In oktober
2000 werd gestart met de eerste activiteit: een oecumenische
bijeenkomst met Zuid-Bevelands als voertaal. Er volgden nog
vele oecumenische bijeenkomsten (ook in andere Zeeuwse dialecten),
maar ook toneelavonden, meezingmiddagen, concerten,
enz.
De oecumenische bijeenkomsten, die in oktober van dit jaar
hun eerste lustrum kenden, worden maandelijks gehouden
op de derde zondag van de maand. (m.u.v. de maanden juli en
augustus) Ze worden voorbereid door de werkgroep Levensbeschouwing.
De werkgroep telt tien leden, waarvan er twee
rooms-katholiek zijn. De anderen zijn van protestantse huize. De
leden verzorgen de gehele bijeenkomst m.u.v. de overdenking.
Deze wordt gehouden door een theologisch geschoolde vrouw of
man, die een Zeeuwse streektaal beheerst.
De bezoekers van de bijeenkomsten worden bij de deur
ontvangen en welkom geheten. Ze krijgen dan een liturgie
uitgereikt. In deze liturgie, met op de voorkant steeds een
tekening van Jopie Minnaard, staan de te zingen liederen en
andere gegevens met betrekking tot de bijeenkomst. De bijeenkomsten
hebben steeds een thema. Zo waren de thema’s van
dit najaar tot nu toe: Verwonderieng, Van eêsten of an (vanaf
het begin), Gedienke (gedenken). Na het welkomstwoord wordt
er in het dialect gezongen, gebeden en gelezen uit de Bijbel. Aan
de bijeenkomst werkt meestal nog een zanggroep, zanger(es),
muziekgroep of vertelster mee. Tijdens de bijeenkomst wordt
er gecollecteerd. Allereerst voor de Wilde Ganzen en vervolgens
voor de bekostiging van de bijeenkomsten. Uit deze laatste
collecte moet het geheel gefinancierd worden.
Na afloop van de bijeenkomst is er altijd koffie en thee. Opvallend
is het dat bezoekers in het algemeen nog lang blijven napraten.
De verantwoordelijkheid voor de bijeenkomsten berust bij de
werkgroep. Er wordt niet gesproken over kerkdiensten, want er
is geen kerkenraad die verantwoordelijk is.
De stichting wil de bijeenkomsten laagdrempelig houden.
Iedereen is uiteraard van harte welkom. Door gebruik te maken
van de streektaal wordt geprobeerd aan te sluiten bij het
“gewone, alledaagse” leven. Mensen, die zich niet thuis voelen
bij het kerkelijke gebeuren, voelen zich hier aangesproken. Van
heinde en verre komt men deze bijeenkomsten bezoeken.
Bijbelvertaling
Voor de oecumenische bijeenkomsten worden bijbelvertalingen
in een Zeeuws dialect gemaakt. De bijbelvertaalgroep, die
daarvoor is opgericht, kwam al snel tot de conclusie, dat één
Zeeuwse vertaling vanwege de grote plaatselijke verschillen niet
goed mogelijk was. Er is dan ook gekozen voor vertalingen in het
Walchers, het Noord-Zeeuws en het Zuid-Bevelands. Tot nu toe
zijn er nog geen Zeeuws-Vlaamse vertalers gevonden.
In september vorig jaar verscheen de eerst uitgave, getiteld:
”’k Za je dát vertelle…” In dit boek staan de vertalingen van Ruth
(in het Noord-Zeeuws), Jona (in het Walchers) en het Evangelie
volgens Marcus (in het Zuid-Bevelands) Er is bij het vertalen
uitgegaan van de werkvertalingen van de Nieuwe Bijbelvertaling,
die beschikbaar werden gesteld door het NBG. Het boek is
geïllustreerd door Jopie Minnaard. Op dit moment wordt gewerkt
aan het vertalen van Genesis, Ester en De brief van Jakobus.
Informatie
De website is www.ellesdiek.nl
Het boek ‘k Za je dát vertelle… (ISBN 90-76815-18-6)
kost 9,95 euro en is verkrijgbaar in de boekwinkel.
GEDACHTEGOED
over De reis van de voorganger
door Per Olov Enquist
door Aarnoud van der Deijl
"De mensen hebben God religieuzer gemaakt dan Hij is"
Op 21 december 1995 wordt mijn moeder begraven vanuit de hernhutter kerk in Zeist. Precies op
het moment dat de witte kist de witte kerk verlaat, begint het te sneeuwen. Als wij tien minuten
later op de begraafplaats achter het Zusterplein zijn, is de principiële en verplichte gelijkheid van alle
grafstenen nog sterker beklemtoond door een alles egaliserend pak sneeuw. Vijf jaar later strijk ik
op vakantie neer in Denemarken bij een stadje Christiansfeld, een stadje genoemd naar de stichter,
koning Christian VII. Geheel onwetend van het feit dat deze koning, evenals de graaf van Zeist, een
goede vriend was van graaf von Zinzendorf, ga ik het stadje verkennen. Het blijkt een kopie van het
Zusterplein in Zeist te zijn, inclusief de witte kerk en de begraafplaats. Nog weer exact vijf jaar later
rijd ik op weg naar mijn vakantiebestemming in Tsjechië door het plaatsje Herrnhut. In mijn koffer
zit een roman, De reis van de voorganger van Per Olov Enquist. Het wordt daar in het Boheemse
stamland van de hernhutters een boeiende confrontatie met mijn eigen hernhutter wortels.
De roman begint bij een begrafenis op de begraafplaats in Christiansfeld. Efraïm
Markström, een vriend van Enquist, wordt daar begraven en naar goed hernhutter gebruik wordt bij
die gelegenheid gelezen uit de Levensloop van de man. Dat is bij mijn moeder ook gebeurd. Elke
hernhutter is verplicht om een Levensloop te schrijven. Ik heb nooit geweten waarom, maar Enquist
legt het uit. Von Zinzendorf geloofde dat de Bijbel een boek was met veel onvolkomenheden. Dat
was ook de bedoeling. Daardoor worden wij uitgenodigd het openbaringswerk voort te zetten.
De Bijbel is een work in progress en mensen zetten in hun leven dat werk voort. Daarom is elke
Levensloop een voortzetting van de Bijbel.
In de Levensloop van Efraïm blijkt echter niet hijzelf centraal te staan, maar de grote
man in wiens nabijheid zijn leven zich heeft afgespeeld, namelijk de Zweed Lewi
Pethrus. Ik had nooit gehoord van de man. Shame on me, want de man, zo begrijp ik, is een van de
meest invloedrijke religieuze leiders van de twintigste eeuw geweest. Hij heeft de Europese Pinksterbeweging
gestart en bij zijn dood in 1974 was dat een beweging die wereldwijd 250 miljoen mensen
omvatte. Lewi Pethrus was diep beïnvloed door het hernhutter gedachtegoed. Dat gedachtegoed
omschrijft Enquist als: “Wij willen geen staatsreligies stichten, geen kerkgenootschappen, wij willen
niet machtig worden. Alleen doordesemen. Een volksbeweging is een beweging in het hart van de
mensen, een idee, geen organisatie. Als de idee een organisatie wordt, sterft de idee.” (p. 14-15)
Het is dit piëtisme dat een merkwaardige mengeling vormt van een intense,
mystieke, vroomheid, een radicaal sociaal engagement én een overtuigd anti-institutionalisme.
Pethrus heeft in zijn jonge jaren de droom om socialistisch schrijver te worden. Door
het hernhutter gebruik van de Losungen, bijbelteksten die willekeurig worden geprikt en als een
soort orakels functioneren, wordt hij op het spoor gezet van het voorgangerschap. Aanvankelijk vult
hij dit in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw vooral in met heel veel sociaal werk onder
de armen in Zweden. Als hem vlak voor zijn dood in een interview wordt gevraagd waarop hij het
meest trots is, antwoordt hij: op het sociale werk van de beweging. De gelijkheid van alle mensen,
zoals daar op die begraafplaats wordt gesymboliseerd, is voor hem wezenlijk.
Het is echter precies de genoemde mengeling die Pethrus en zijn beweging ook
min of meer fataal wordt. Zijn beweging neemt een hoge vlucht als zich de invloedrijke literator
Lidman en de goede organisator Franklin bij de beweging aansluiten. Lidman echter, die in zijn jonge
jaren dweepte met nationaal-socialistische gedachten van bloed en bodem, is vooral geïnteresseerd
in de mystieke kant van de Pinksterbeweging, in de bloedmystiek van Von Zinzendorf. Franklin is
ervan overtuigd dat een grote beweging moet worden georganiseerd door middel van theologische
opleidingen, bestuurlijke instituten en wat dies meer zij. Pethrus beschouwt het allebei als verraad
aan het sociale engagement en aan het karakter van een beweging. Tussen Pethrus en beide
mannen komt het tot een bittere breuk.
Het is een intrigerende roman. Het piëtisme en het (p)ietsisme blijken meer gemeen met
elkaar te hebben dan die ene letter verschil. De idee dat geloof iets volstrekt individueels is en dat
elke institutionalisering de dood in de pot is: “Men zag de vlam immers duidelijk uitdoven! bij de
papisten! bij de theologische carrièremakers! bij de kerkbouwers! de bewakers van de absolute
waarheden! de constructeurs van kerkgenootschappen! ja, in de eerste plaats bij de theologen!
deze opdreuners van vragen die alleen maar tot twisten en oorlogen aanleiding gaven. Dat waren
de echte raffelaars, brabbelaars, vele malen erger dan de sprekers in tongen.” (p. 294)
De kracht van Enquist is dat hij Pethrus aan de ene kant met heel veel liefde
en bewondering beschrijft, maar aan de andere kant op ironische wijze (zie alle
uitroeptekens in het citaat hierboven) de anomalieën en impasses uit deze denkwijze
blootlegt. Dat geeft veel te denken. Want zou niet ook het (p)ietsisme als vanzelf weer hetzij ongecontroleerde
bloed-en-bodem-mystiek oproepen (je kunt bij CDA’er Wijn zelfs al je beroepskosten
als heks van de belasting aftrekken) en aan de andere kant juist een grotere controledrang, inclusief
een omgekeerd evenredige tolerantie jegens minderheden?
Verplichte literatuur dus, deze roman, voor Pinkstergelovigen! (de leiding van de Berea-beweging
bijvoorbeeld!), ietsisten!, maar zeker voor die beroepsbrabbelaars!, de theologen!
