home OGG Nieuws Geruchtdagen Nieuwsbrief OGG OGG in de media Inhoudelijk Wie, wat, waar, binnen OGG Links



voorjaar 2008

Logo OGG





Geruchten - nieuws, informatie, cultuur, theologie, wetenschap

(nr.26 / voorjaar 2008 - Niet bestaand, toch boos?)


De nieuwsbrief Geruchten is het blad van Op Goed Gerucht.
Geruchten doet verslag van studie- en ontmoetingsdagen, en poogt uit te groeien tot platform voor discussie en inspiratie, waardoor we kennis kunnen nemen van elkaars prikkelende artikelen, hartekreten, blijmoedige preken en inspirerende ervaringen.
De site van Op Goed Gerucht plaatst enige tijd na het verschijnen van de nieuwsbrief een selectie uit het blad.

Het blad Geruchten wordt verspreid onder de leden van Op Goed Gerucht.
Theologen ((gemeentepredikanten, geestelijk verzorgers, kerkelijk werkers en andere) kunnen zich aansluiten bij Op Goed Gerucht via:
Dick Vos, Bezembinder 70, 2401 HM  Alphen aan den Rijn, e-mail:
Een abonnement kost € 15 per kalenderjaar.
Geruchten wordt uitgegeven door Uitgeverij Skandalon





Een selectie uit

Geruchten - nieuws, informatie, cultuur, theologie, wetenschap

nr. 26, voorjaar 2008 - Niet bestaand, toch boos?





REDACTIONEEL


door Ad Boogaard en Dick Vos


Verontwaardiging is constructief, gericht op de medemens, en daarmee op de buitenwereld. Dit in tegenstelling tot woede, betoogde Herman Vuijsje tijdens de laatste geruchtdag. Hij stelde daarmee de oneliner onder kritiek die het thema van de dag samenvatte: ‘God is boos’. Woede is meer egocentrisch, verontwaardiging heeft een doel dat buiten zichzelf ligt. Het stemt tot nadenken, tot reageren in woord en daad en heeft daarmee een ethische component.

Voortbordurend op woede en verontwaardiging is dit nummer van Geruchten tot stand gekomen.
In iets verkorte vorm is de lezing van Vuijsje opgenomen. Ad Boogaard wijdt er een korte beschouwing aan, en in een artikel over gouden Goudse stadsregels zet Kim Magnée haar vraagtekens bij de gevolgen die meer algemene burgerlijke verontwaardiging kan hebben. De woede –of verontwaardiging- van God komt naar voren in een samenvatting van de workshop die Joep Dubbink gaf tijdens de geruchtdag over ‘onmogelijke’ Bijbelteksten en een beschouwing van Lyonne Verschoor over de reacties van kerkgangers op Gods kritische beklag in de rubriek ‘Laten vieren’. Hoe zelfs de opstanding der doden een oordeel kan worden waarvan een appel uitgaat, komt naar voren in ‘Gedachtegoed’ van de hand van Anne Marijke Spijkerboer.
Voortvloeiend uit verontwaardiging, ging er vanuit Op Goed Gerucht een ‘signaal’ uit inzake de deining naar aanleiding van de stellingname van Klaas Hendrikse. Alweer even geleden leek het erop dat hem een kerkelijke juridische procedure boven het hoofd hing, en dat leek de stuurgroep- en redactieleden niet de juiste wijze om tot een vruchtbaar gesprek te komen. En dat de thematieken die Hendrikse aansneed de gemoederen werkelijk bezig hield en houdt –uit verontwaardiging dan wel verbazing- blijkt niet alleen uit de doorgaande stroom van berichten in diverse media, uit debatten en studiedagen die overal plaatsvinden, maar ook uit de wijze waarop velen uit de kring van Op Goed Gerucht daarover in groter of kleiner verband schreven en spraken. In dit nummer een collage daarvan.

Het afgelopen jaar is de redactie van Geruchten van samenstelling veranderd. Twee werkers van het eerste uur, Rob Basten en Wouter Slob hebben na vele jaren afscheid genomen. Mede aan hun aanjagende capaciteiten is de wording van dit blad te danken. Al enige tijd geleden trad Ad Boogaard toe en sinds kort maakt ook Lyonne Verschoor-Schuijer deel uit van de redactie.

Tenslotte.
De traditionele zomergeruchtdag vindt dit jaar niet plaats in juni, maar –bij wijze van seizoenstart- op vrijdag 5 september. Onder de werktitel 'God is overal' staat dan de ‘wereldse theologie’ van Erik Borgman centraal. Deze zal zelf als hoofdspreker optreden. Nieuwsgierigen kunnen zijn boek 'Metamorfosen' reeds ter hand te nemen of de inaugurele rede die hij uitsprak aan de Universiteit van Tilburg.

Ad Boogaard
en Dick Vos



Begin pagina



'TOT HIERTOE HEEFT DE HEER ONS GEHOLPEN'

Leesbewerking van de voordracht van Herman Vuijsje
gehouden tijdens de Geruchtdag op 25 januari 2008


Tot hier heeft de Heer ons geholpen is de titel van mijn recente boek over godsdienst en moraal. Het is een Bijbels etiket, geplakt op een serie waarnemingen van een niet-gelovig iemand. Bottom-line van mijn verhaal is dat de God van Nederland er niet meer in slaagt zijn oude functie van morele Godfather naar behoren uit te oefenen. Tot hiertoe heeft hij ons geholpen - maar wat nu?
Het is natuurlijk een beetje ironisch dat hier nu een atheïst staat om op uitnodiging van een club van predikanten een donderpreek te houden over de morele taak en pretentie van het christendom. Het heeft iets weg van de duivel uitdrijven met Beëlzebub. Maar ik heb de uitnodiging graag aangenomen, want ik houd wel van een goeie donderpreek. Ik ben een voorstander van verontwaardiging. Zolang we geen ideale wereld en geen nieuw Jeruzalem hebben gerealiseerd, hebben we verontwaardiging nodig.

In zijn nieuwe boek Woede en Tijd houdt Peter Sloterdijk een pleidooi voor het onder ogen zien van woede en het belang daarvan. Woede is wezenlijk voor verandering, schrijft hij. Woede zet aan tot handelen. Toch zou ik 'woede' niet graag als een deugd omschrijven. Woede mist de morele - en ook weloverwogen - connotatie die verontwaardiging wel heeft. In het christendom en de denksystemen die eruit zijn voortgekomen - zoals de Verlichting en het socialisme - speelt verontwaardiging een belangrijke rol. Verontwaardiging is minder egocentrisch dan woede, heeft meer betrekking op hoe het moet met de wereld, met andere mensen. Verontwaardiging wil opbouwen, heeft oog voor de ander, wil goede relaties smeden tussen mensen. Het is dus de moeite waard om het vermogen tot verontwaardiging te behouden - ook nu we, volgens een breed onderschreven opvatting, 'de dood van de grote verhalen' meemaken.
De afgelopen eeuw zijn ideologische en politieke idealen de een na de ander gecompromitteerd geraakt of ongeloofwaardig geworden. Alle idealen? Nee, één verhaal blijft moedig weerstand bieden. Of heeft die mogelijkheid in ieder geval in zich. Het bijzondere en het mooie van het christendom is de combinatie van vertroosting, verontwaardiging en vermaning. Wil je het één, dan krijg je het ander er gratis bijgeleverd.
Maar nu religieuze oriëntaties bijeengesprokkeld worden in de spirituele supermarkt, is die package deal niet meer vanzelfsprekend. De mensen vullen hun karretje bij voorkeur met lekkere hapjes. De zure of bittere spulletjes die je vroeger kreeg bijgeleverd, laten ze op de schappen staan. En de leveranciers zijn geneigd zich bij die vraag aan te passen. Een reliprovider die vies smakende artikelen aan de man probeert te brengen, of ouwe taaie waar die de houdbaarheidsdatum heeft overschreden, die kan zijn klandizie wel vergeten. Je zult in de relishop dus vergeefs zoeken naar een schap met 'verontwaardiging' of 'vermaning'.

Ik weet nog precies wanneer deze ontwikkeling me voor 't eerst duidelijk werd. Dat gebeurde tijdens mijn 'omgekeerde' pelgrimstocht van Santiago de Compostela naar Amsterdam in 1989. Ik maakte die tocht om redenen die me - zoals trouwens geldt voor de meeste pelgrims van tegenwoordig - niet duidelijk voor ogen stonden. Wel leek het me een goed idee om het in omgekeerde richting te doen. Als atheïst leek me dat op de een of andere manier gepaster. Bovendien kon ik op die manier als het ware de Europese ideeëngeschiedenis volgen: van het toen nog traditionele en streng-religieuze Noordwest-Spanje naar de stad waar alles mag wat God verboden heeft, Amsterdam. Onderweg ging ik trouw elke zondag naar de mis in de plaats waar ik op dat moment was.
In Spanje kon ik nog mijn hart ophalen aan onvervalste donderpreken over huis , tuin en keukenzonden die heel concreet werden benoemd en veroordeeld. Ik herinner me een pastoor in Portomarín, die de mis opdroeg in een kerk die half fort was. Zijn preek was helemaal in overeenstemming met die krijgshaftige omgeving. Tijdens de mis doopte hij een kindje, en wat hij de parochie daarbij voorhield, loog er niet om. Onze kleintjes hebben niet alleen moeders nodig. 'Ook vaders!' vervolgde hij met verheffing van stem. 'Maar hoeveel vaders stappen tegenwoordig in de auto en rijden weg? Hoeveel wezen kennen we vandaag de dag niet geen wezen wat kleding en eten betreft, maar wezen in liefde en ouderlijke aandacht? Hoeveel huwelijken zijn in feite op een innerlijke scheiding uitgelopen: een dubbele eenzaamheid, een multiplicación de egoísmos?'. 'Ik gord mijn wapenrusting aan,' bulderde hij in die vechterskerk met schietgaten, 'tegen zulke vaders, zulke moeders.'
Een maand later was ik aangekomen in Frankrijk, in de Saintonge - een gebied, bezaaid met schitterende romaanse kerken. Vaak zie je daar op de kerkportalen een Psychomachie afgebeeld, een reliëf waarin de strijd tussen de deugden en de zonden te zien is.
Ik herinner me het toegangsportaal van de twaalfde-eeuwse Saint-Pierre in het stadje Aulnay. De deugden zijn daar geen 'zachte krachten' maar geharnaste strijders. Deze heilsoldaten hebben een rijzige, menselijke gestalte; onder hun voeten kronkelen zich de zonden als gedrochtelijke onderkruipsels. We zien hoe Nederigheid zegeviert over Hoogmoed, Vrijgevigheid over Hebzucht, Geduld over Drift, Kuisheid over Ontucht, Eensgezindheid over Tweedracht, en Trouw over Afgoderij. En terwijl ik me daar in Aulnay stond te vergapen, vroeg ik me af welke deugden en zonden ik nú zou kiezen als ik zo'n reliëf mocht ontwerpen. Centraal in mijn Psychomachie zou ik Verontwaardiging plaatsen, die Vrijblijvendheid aan zijn lans rijgt, en daarna diens laffe alter ego's Niet-Inmenging en Afzijdigheid een kopje kleiner maakt.

Maar naarmate ik noordelijker kwam op mijn pelgrimstocht, leek het wel of juist Vrijblijvendheid in toenemende mate haar opwachting maakte - en dan niet als zonde, maar als deugd! De boodschap die ik op mijn zondagse misbezoek hoorde verkondigen, werd met de week slijmeriger en blijer. Hoe noordelijker ik kwam, des te prettiger leek God het te willen regelen. 'Laat die hoofdletter maar weg, en al die epitheta ook. En dat knielen mag je ook best wel laten, ga er gerust bij zitten, als we nog maar vriendjes mogen zijn'.
Aangekomen in Nederland was het één en al lievigheid en heilsbelofte, wat me 's zondags tegemoetsloeg. De God van Nederland is lief en tandeloos geworden. Vader straft niet meer, eist niet meer, is niet meer boos en nauwelijks nog bedroefd te krijgen. Hij leek wel een mens geworden in het diepst van zijn gedachten. Ook deze waarneming riep verontwaardiging in mij op. Alles goed en wel, dacht ik, maar wat hebben we aan die flauwsies in een tijd van ikke-denken en toenemende amoraliteit? Een God als bovenstebeste opa, als Sint zonder Piet, als Piet zonder roe, kunnen we volgens mij missen als kiespijn.

Mijn eerste Nederlandse mis was in Bergen op Zoom, waar de pastoor van de Sint-Gertrudis zijn gehoor verwelkomde als 'Beste mensen'. Dat deed de deur dicht. Ik besloot dat ik - als ik mijn pelgrimage niet wilde beëindigen met een hoofd vol zalverige praatjes - een shot van iets anders nodig had. Ik nam de bus naar Tholen, een paar kilometer verder maar een wereld van verschil. Ik kende Tholen van jaren tevoren, toen ik er eens naar een super-oudgereformeerde kerk ben geweest.
Ook dit keer werd ik niet teleurgesteld. De dominee van de Grote Kerk preekte over Romeinen 7 en trok in schitterende bewoordingen van leer tegen de farizeeërs, die de schijn ophielden maar uiteindelijk toch leefden naar het vlees: 'Zij hebben de wet des Heren niet bepeinsd. Alleen maar aan de buitenkant leven, terwijl het hart nog vol dorre doodsbeenderen is, dat is niet in orde. Dat deugt niet!'
'Dat deugt niet' - die woorden klonken me als muziek in de oren. Ik genoot, nu ik eindelijk weer eens meemaakte hoe mensen vrijwillig bijeengekomen waren om zichzelf en elkaar heel duidelijk aan morele waarden te herinneren. Ik had tot dan toe voornamelijk katholieke godsdienstoefeningen bijgewoond en realiseerde me nu welk een schat het orthodox protestantisme in huis heeft met zijn onverstoorbaar vasthouden aan het belang van openbaar moraliseren.
Dat lijkt mij de core-business van kerken, van de christelijke traditie, ook nu God de Vader aan het vervagen is: het gemeenschappelijk beleven en 'belijden' van morele beginselen, als brug tussen van buiten af en van binnen uit opgelegde beheersing. Religie is een uniek interface tussen persoonlijk handelen en maatschappelijke moraal. Uniek, omdat religie fungeert als een bijzondere vorm van zelfdwang 'over de band van' sociale controle.
Die sociale controle werd tot nu toe geleverd door het geloof in welomschreven metafysische ideeën die werden gedeeld met anderen in de kerkelijke gemeenschap. Nu die vaste metafysische beelden voor veel mensen plaatsmaken voor persoonlijk getinte 'ietsistische' ideeën, verliest ook de morele kracht van het geloof in hemel en hel aan vanzelfsprekendheid. God doet het niet meer voor ons, maar wie of wat dan wel?

Je zou kunnen zeggen dat deze twijfel juist heel modern is. En dat gebeurt dan ook: de onzekerheid over religieuze waarheden wordt op de troon gehesen en bijna uitgeroepen tot nieuw religieus paradigma. Wie ben ik, waar sta ik, wat wil ik? Wat is de zin? Levensvragen waarop godsdienst vroeger vaste antwoorden gaf zijn nu voorwerp van persoonlijke overpeinzing geworden. De pelgrim ziet zijn bedevaart als een 'zoektocht' naar zelfinzicht, troost, plaatsbepaling.
Maar het christendom leeft niet bij zingeving alleen. Voor de andere poot, de morele kant, is het helemaal niet zo vanzelfsprekend om van een zoektocht te spreken. Op het gebied van normen en waarden geldt ook nu nog dat er redelijk vaste zekerheden bestaan. We weten meestal heel goed wat goed en verkeerd is.
In Nederland wordt nogal eens gesproken van 'normvervaging'. Ten onrechte, volgens mij. De belangrijke normen zijn niet vervaagd, maar staan recht overeind, zijn bij iedereen bekend en worden algemeen onderschreven. Niet het normbesef is vervaagd, maar de naleving van normen, een proces dat door de criminoloog Jan van Dijk treffend is omschreven als 'normverdringing'. We hoeven dus niet 'op zoek' naar normen en waarden. Waar we naar moeten zoeken, is: nieuwe mogelijkheden om elkaar weer aan te spreken op het naleven van die normen.

Ik besef dat het voor mij als buitenstaander makkelijk is om hier een beetje de passie te komen preken. De veranderingen waar we het over hebben, zijn heftig en ingrijpend. In mijn boek heb ik een paar stappen achteruit gedaan en de ontwikkeling in een groot kader proberen te plaatsen. Ik schets het kerkelijk christendom daarbij als een intermezzo in de godsdienstgeschiedenis. Een intermezzo van enkele duizenden jaren.
Het christendom onderscheidt zich beslissend van zowel de religieuze oriëntaties die eraan voorafgingen - het pantheïsme en het polytheïsme - als de oriëntatie die er nu op volgt: het 'ietsisme'. Waarin zit hem dat onderscheid? Juist in dat morele karakter van het judeo-christendom: zonder gerechtigheid is al het andere van geen betekenis. In de schepping ligt uitdrukkelijk een morele opdracht besloten. Let's make things better is de reclameslogan van het christendom. In het pantheïstisch natuurgeloof en het polytheïsme speelden zulke ideeën geen rol.
Een tweede onderscheidend punt, nauw daarmee verbonden, is het lineaire, teleologische karakter van de christelijke visie. Het pantheïsme en het polytheïsme waren niet alleen amoreel van karakter, maar ook cyclisch. Er was geen besef van een 'grand scheme' - een noodzakelijke ontwikkeling naar een nieuw soort samenleving. Volgens het christendom wel: de geschiedenis heeft een begin en een einde. Het christendom stelt een schone voleinding in het vooruitzicht - een voleinding, aangezegd in profetieën die 'vervuld moeten worden'.
Aldus beschouwd is de snelle opkomst van het 'ietsisme' in onze tijd een feit van moeilijk te overschatten betekenis. Want ook het ietsisme wijkt in de beide genoemde opzichten af van het christelijk monotheïsme. Het ietsisme is geen verhaal, laat staan een 'groot verhaal'. Het is vooral een gevoel, waarin morele pretenties geen belangrijke rol spelen en morele sancties ontbreken. Ietsisten leggen ook minder nadruk op de gedachte dat de mensheid een project te vervullen heeft. Als er een God is, is hij niet de regisseur van een drama in zoveel bedrijven, maar een onpersoonlijke energie. Een lineair tijdsbesef ontbreekt dus; de wereld wordt eerder in cyclische termen ervaren. Niet de schepping moet naar volmaaktheid groeien, maar het 'zelf' moet de weg terug vinden naar het goddelijk beginsel, waarmee een kringloop wordt voltooid.
Voor een deel van de behoeften waarin God de Vader placht te voorzien, vormt het ietsisme een aantrekkelijk alternatief. Ietsisten kunnen psychologische bemoediging, wellicht ook zingeving en troost, putten uit hun gevoel van transcendentie. Maar voor de andere poot van het christendom - het bevorderen van goed gedrag en sociale binding - biedt het ietsisme geen soelaas. De overgang van monotheïsme naar ietsisme die we nu in West-Europa meemaken, bezegelt het einde van de periode van vele eeuwen waarin het geloof in een persoonlijke God en een individueel hiernamaals de meerderheid van de bevolking een moreel anker bood.

In mijn boek heb ik de lotgevallen van God vergeleken met die van een andere metafysische beoordelaar van ons doen en laten: Sinterklaas. Beiden gingen ze van start als strenge handhaver van law and order en allebei zijn ze in de loop der jaren een stuk vriendelijker en redelijker geworden.
We kunnen daarbij vaststellen dat God in onze dagen nog wel iets zou kunnen opsteken van Sinterklaas. God is liefde, zeggen we tegenwoordig, wat er in de praktijk vooral op neerkomt dat hij lief moet zijn voor óns. Met Sinterklaas is het anders gesteld: die heeft iets van zijn vaderlijk en moreel gezag weten te handhaven. Het heerlijk avondje is een van de weinige gelegenheden waarbij Nederlanders nog moreel commentaar geven op elkaars handelen. Verscholen achter de tabberd van een katholieke bisschop, op milde toon en verpakt in gedichten, maar toch. Waaraan heeft de Sint deze vitaliteit als moreel beoordelaar te danken? Aan het feit dat hij concreet is. Van Sinterklaas mag je niet 'stout' zijn, en in zijn berijmde boodschappen zegt hij precies wat hij daarmee bedoelt. Sint speelt in op onze fouten, op datgene dat we niet willen dat ons en onze naasten geschiedt.
Kijk daarnaast eens naar de Kerstman - bij hem ligt het net andersom. De Kerstman is een sullige spulletjes-uitdeler die ons voorhoudt dat we 'het goede' moeten doen, maar Santa Claus zal het beestje nooit bij zijn naam noemen. Als we eerlijk zijn, moeten we nu vaststellen dat de grote kerkgenootschappen de laatste tijd behoorlijk zijn 'gekerstmanniseerd': ze bieden vooral leuke dingen voor de mensen. Willen ze ook niet verzanden in goede bedoelingen, dan doen kerken er verstandig aan zich een beetje meer te spiegelen aan Sinterklaas.

Het is mooi en positief om het goede te verheerlijken, maar ook al gauw vrijblijvend. En als christelijke kerken zich laten verleiden tot vrijblijvendheid, gooien ze hun core-business overboord, en hun zelfrespect. Op den duur kunnen ze daarmee ook het respect van de mensen verliezen.
Willen we niet ten prooi vallen aan de 'banaliteit van het goede', dan moeten we ons niet op deugden richten, maar op ondeugden. Een deugdenethiek is per definitie vaag en vrijblijvend: ze kijkt meer naar de inslag dan naar de uitslag. Het kwade, slecht gedrag, laat zich veel eenduidiger omschrijven - ook als het zicht op grote idealen is vervaagd. Wat het christendom ons op moreel gebied aan vruchtbaars heeft nagelaten, is per saldo ook niet een conceptie van het goede, maar het samenstel van bepalingen omtrent wat níét mag. Daar komt nog iets anders bij: over de vraag wat ondeugden zijn, kunnen mensen het gauw eens worden. Dwars door alle culturen en levensbeschouwingen heen zijn mensen verbonden door een afkeer van wreedheid, geweld, vernedering en slachtofferschap, stelt de filosoof Richard Rorty. Zoek daarin de grondslag van de moraal, stelt hij voor, niet in overeenstemming over wat een goed leven is.
Dit pleidooi is in onze dagen actueler dan ooit. Deugden horen bij een bepaalde gemeenschap en een bepaalde traditie, waarbinnen ze worden overgedragen. In een multiculturele samenleving en een werelddorp hebben we meer dan ooit behoefte aan een universeel waardenstelsel, gebaseerd op ondeugden: op de dingen die we níét willen.

Ik heb het hier voornamelijk gehad over religieuze en kerkelijke ontwikkelingen, maar de verschijnselen waar we het over hebben zijn natuurlijk ook op allerlei andere plekken in de maatschappij te zien. Overal in Nederland groeide in de afgelopen decennia een sterke cultuur van non-interventie en overdreven respect voor ieders individuele autonomie.
Nu lijkt de wal het schip te keren en hebben we een VU kabinet dat weer iets van toezicht en controle op de naleving van normen en waarden wil terugwinnen. In de politiek en in de ideeën omtrent de taak van de overheid lijkt zich een kentering te voltrekken, waarbij af en toe weer zachtjes Romeinen 13 mag worden geciteerd. Maar de grote kerkgenootschappen lijken nog niet in deze ontwikkeling te delen, laat staan dat ze een voortrekkersrol zouden spelen. Zij houden zich, beducht voor het verwijt van moralisme en bemoeizucht, nog steeds verre van de alledaagse moraliteit, om zich te concentreren op vrede en mensenrechten en leuke dingen voor de mensen.

In de uitnodiging voor deze bijeenkomst werd de retorische vraag gesteld of we God de oude bulderaar weer in ere moeten herstellen. Natuurlijk moeten, willen en kunnen we dat niet. Maar dat wil niet zeggen dat een nieuwe impuls voor de morele core-business van het kerkelijk christendom onmogelijk zou zijn.
Het lijkt mij heel goed denkbaar dat kerken weer meer een plek gaan vormen waar mensen elkaar niet alleen troosten, maar ook aan normen en waarden durven herinneren. Daarvoor is dan wel nodig dat kerken en geloofsbedienaars uit het verdomhoekje komen en assertiever worden. Moraliteit, fatsoen en sociale binding vormen momenteel een duidelijke 'groeimarkt' - het is eigenlijk heel vreemd dat de kerken zich nog zo weinig op die markt hebben begeven en zich in plaats daarvan tevreden stellen met de rol van psychotherapeut, mental coach en opluisteraar van bruiloften en partijen.
Als ik het over 'assertiviteit' heb, doel ik niet alleen op de manier waarop kerkleden, predikanten en pastoors elkaar al dan niet durven aan te spreken op morele issues. Ik heb het ook over de houding die de kerk aanneemt tegenover het opkomende ietsisme. De kerk zou die gezindheid kritisch tegen het licht moeten houden en de vraag te stellen of egocentrische en amorele aspecten in het ietsisme niet teveel nadruk krijgen.

Als nu God vervaagt, hoe kunnen we dan zijn moreel gezag voor de toekomst veiligstellen? Ik zou dus zeggen: door zelfbewust en assertief op te komen voor het behoud van het christelijk erfgoed. Ik heb het christelijk monotheïsme geschetst als een intermezzo, maar je kunt het ook zien als een ontwikkelingsfase, een funderingsfase, waarin ideeën opkwamen en wortel schoten die ook blijven doorwerken nadat het bijbehorende godsgeloof is vervlogen.
Als je de morele Werdegang van de joods-christelijke geschiedenis in een notendop wilt samenvatten, kun je zeggen dat God ons bij de hand heeft genomen en manieren heeft bijgebracht. Eerst streng, daarna door op ons gemoed te werken, om zich ten slotte terug te trekken in de hoop dat we het verder zelf wel afkunnen. In de manier waarop we dat zelf doen, speelt God nog een belangrijke rol, maar nu als metafoor, als symbool van een gewaardeerde culturele traditie.
Daarmee vervliegt onder het kerkvolk het vaste beeld van de God van Nederland. Tezelftertijd groeit onder niet-kerkelijke Nederlanders een nieuwe ontvankelijkheid voor onze christelijke traditie en identiteit. De globalisering en de nieuwe uitdaging van de islam hebben een eind gemaakt aan de periode waarin kerkje pesten in progressief Nederland vanzelfsprekend was. Zo groeit er van beide kanten een nieuwe bereidheid om de christelijke traditie naar waarde te schatten en maatschappelijk in te zetten.

God en religie verdwijnen niet, maar ze komen ook niet terug. De God van Nederland en West-Europa is een ouwe soldaat - hij sterft niet, maar vervaagt. Hetzelfde zou op den duur kunnen gelden voor het onderscheid tussen wel en niet gelovig, wel en niet religieus. Met het wegvallen van algemeen aanvaarde noties over de bovennatuurlijke wereld en het hiernamaals zal dat onderscheid steeds verder aan betekenis verliezen. Vermoed ik.
Zou dat erg zijn? Ik zou niet weten waarom. Het fading away van God de Vader lijkt mij niet erg, als we er maar in slagen zijn erfenis in ere te houden. Het gaat in de joods-christelijke traditie immers niet in de eerste plaats om God of geloof, maar om rechtvaardigheid tussen de mensen. Het judeo-christendom bracht ons aanvankelijk een moreel geloof en heeft ons uiteindelijk een geloof in moraal opgeleverd. Een moraal die universalistisch is, en egalitair: alle mensen zijn gelijk voor God. En activistisch: het gaat erom dat je daadwerkelijk bijdraagt aan een betere wereld. Dat is een moraal waarmee je in de wereld voor de dag kunt komen - maar dan moet je hem wél waarmaken en 'in de markt zetten'.

Deze voordracht is –met goedkeuring van de spreker- ingekort door de redactie



Begin pagina



GEBOD ZONDER GOD?


door Ad Boogaard


Ja, het was inderdaad ‘een beetje ironisch’, zoals Herman Vuijsje opmerkte: een atheïst die op uitnodiging van een club van predikanten een donderpreek houdt over de morele taak en pretentie van het christendom. Maar lang niet zo ironisch als een atheïst die het verdwijnen van God betreurt en dat vooral de kerken verwijt.
Het lijkt mij toch eerder dat de kerk slachtoffer is van die ontwikkeling, dan dat zij als dader moet worden aangemerkt. Het is bijna een geval van blame the victim. Bijna, want de kerk gaat niet helemaal vrijuit. Maar ik denk niet dat je kerken zonder meer de schuld kunt geven van het verdwijnen van God uit Jorwerd, Nederland of de rest van West-Europa. Daarnaast blijft het oppassen met de combinatie van kerk en moraal. Hoe verleidelijk Vuijsjes pleidooi om een nieuwe impuls te geven aan de “morele core business van het kerkelijk christendom” sommige predikanten ook in de oren mag klinken.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het een boeiende lezing vond, lekker scherp en met een gezonde dosis humor. Dat geldt ook voor zijn boek Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Over godsbeelden en goed gedrag (uitgeverij Contact). Maar ik vroeg mij al luisterend en lezend wel af of het allemaal klopte. Vuijsje signaleert een aantal veranderingen in onze samenleving met betrekking tot ons godsbeeld en ons gedrag, de moraal. Er bestaat volgens hem zelfs een causaal verband tussen beide. Maar wat die veranderingen veroorzaakte blijft onuitgesproken. Ja, er heeft een verandering plaatsgevonden in ‘ons’ godsbeeld: van God de Vader naar ‘iets’, van monotheïsme naar ietsisme. En inderdaad, we (s)preken als predikanten vandaag de dag liever niet meer over hel en verdoemenis. En tja, we zijn misschien ook wel wat vrijblijvender geworden. Maar de vraag is: hoe komt dat? Wat is daarvan de oorzaak? En, niet onbelangrijk: heeft de veronderstelde normvervaging –of normverdringing– inderdaad te maken met het vervagen van God of is er een andere reden?
Ik denk het laatste. De door Vuijsje gesignaleerde veranderingen zijn volgens mij vooral het gevolg geweest van twee andere ontwikkelingen in onze samenleving: de individualisering en de secularisatie. Die ontwikkelingen hebben onder meer geleid tot de leegloop van de kerken. Je zou het ook religieuze emancipatie kunnen noemen. Omdat mensen religieus mondiger zijn geworden, laten ze zich niet meer door de kerk voorschrijven wat ze moeten geloven, of in wie. En ook niet wat ze op grond van het geloof moeten doen of juist laten. Ik beschouw dat als vooruitgang, al (h)erken ik ook de keerzijden van deze ontwikkelingen. Als er al sprake is van een ‘probleem’, dan is dat volgens mij dus dat mensen individualistischer zijn geworden, ook op religieus gebied. Godsdienstsocioloog en –psycholoog Jacques Janssen meent zelfs dat de secularisatie een gevolg is van die individualisering: we hebben onze vaste sociale verbanden losgelaten, waaronder de kerk, en daarmee ook onze gedeelde (opgelegde?) godsbeelden, met alle gevolgen van dien.
Maar individualistisch is iets anders dan egoïstisch! Als hier al sprake is van normvervaging, dan ligt dat aan ons principe van ‘vrijheid, blijheid’, niet aan ons veranderde godsbeeld, het ‘ietsisme’ of het feit dat we niet meer bang zijn voor de hel (heeft ons dat ooit weerhouden van het kwaad?).

Misschien is dat waarom de lezing bij mij bleef haken. Er werden dingen gezegd en gesuggereerd, die volgens mij niet kloppen. Mensen die in ‘iets’ geloven zijn volgens mij niet per se amoreel of immoreel, zoals christenen niet per se moreel zijn. Kerk en christendom zijn geen garantie voor goed gedrag. We mogen de reclameslogan niet verwarren met het product of het bedrijf. Philips maakt dingen niet beter!
Ook Vuijsjes kritiek op de kerk vind ik onterecht. De kerk is naar mijn idee nu juist één van de weinige plekken waar mensen nog samenkomen om elkaar en zichzelf te herinneren aan bepaalde waarden en normen. Al klinken er tegenwoordig geen ‘donderpreken’, dat wil niet zeggen dat er in de kerk niets meer gezegd wordt over gedrag en moraal. De toon is veranderd en het accent verschoven (er wordt niet meer gesproken over de ‘warme zonden’, zoals mijn leermeester Harry de Lange ze ooit noemde: homosexualiteit, overspel en andere ‘ontuchtige’ zaken; hij vond dat kerken zich te veel met de verkeerde zonden bezig hielden), maar onrecht wordt nog altijd benoemd én veroordeeld.
Wel is de kerk op dit punt veel terughoudender dan een aantal decennia geleden, door schade en schande wijs geworden. In die zin is de oproep van Vuijsje aan de kerken om ‘assertiever’ te worden terecht, maar ook ingewikkeld. De schrik zit er sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw nog goed in. Het kruisrakettendebat, IKV, De arme kant van Nederland, het apartheidsregime in Zuid-Afrika, enz. Ze bleken evenzovele splijtzwammen in menige kerk. Sindsdien doen wij niet meer aan politiek op de kansel. Het maakt namelijk iets te pijnlijk zichtbaar dat we binnen onze kerken en als kerk totaal verschillend denken over hoe je het evangelie moet vertalen in maatschappelijk en politiek handelen, hoe verschillend we denken over onze core business. Willen we die als kerk waarmaken en ‘in de markt zetten’, dan kunnen we nog wel wat hulp van de Heer gebruiken…

Ad Boogaard is pastor-coördinator Stadspastoraat Arnhem
en redactielid van Geruchten




Begin pagina



GOUDEN REGELS


door Kim Magnée-de Berg


Wie door de binnenstad van Gouda loopt en op het juiste moment naar boven kijkt, kan er zomaar mee geconfronteerd worden: de gouden stadsregels. Onlangs overkwam het mij dat ik met een tegenstribbelende peuter in de hand vanuit de lichtkrant regel 8 toegeworpen kreeg: “Ouders voeden zelf hun kinderen op!” (Ik heb overigens nooit helemaal begrepen of dat betekent dat je andermans kinderen niet aan mag spreken op ongewenst gedrag of dat het misschien bedoeld is als pleidooi voor ouders om de opvoeding werkelijk weer serieus te nemen).
Voor wie het – ondanks alle media aandacht – niets zegt: de Goudse stadsregels zijn tien regels die op instigatie van de gemeente Gouda in 2002 door de burgers gekozen zijn uit 35 conceptregels. Dit zijn ze:


  • Wat je stuk maakt, moet je zelf betalen.
     
  • Gebruik geen geweld.
     
  • Ruim je afval zelf op.
     
  • Intimiderend rondhangen is asociaal.
     
  • Spreek Nederlands, dan begrijpen we elkaar.
     
  • Respecteer elkaar altijd.
     
  • Hard rijden is bloedlink, dus doe normaal.
     
  • Ouders voeden zelf hun kinderen op.
     
  • Pest, plaag en discrimineer niet.
     
  • Agenten zijn er voor ons allemaal, respect graag.
     

Moraal terug in de samenleving, in dit geval niet in eerste instantie door de kerk, maar door de burgerlijke gemeente. Overigens waren de kerken er wel als de kippen bij om zich in het debat over de tien regels te storten. Ik herinner me een avond met de Raad van Kerken waarin over de 35 conceptregels werd gesproken. Eerlijk gezegd riep het bij mij vooral hilariteit en weerstand op. Hilariteit door het karakter van een aantal van de conceptregels (“Wildplassen is vies en verboden!” “Gebruik je claxon niet om hallo te zeggen.”) en weerstand door de (zeker ook uit christelijke hoek) steeds weer gemaakte vergelijking met de tien geboden.
Dat het morele geneuzel van de stadsregels vergelijkbaar zou zijn met de tien geboden lijkt mij een stuitende misvatting. En zeker christenen moeten toch beseffen dat de bevrijdende opmaat en context van de tien woorden deze onvergelijkbaar maakt met een lijstje van door de meerderheid van het volk verkozen regels en regeltjes.
Nog ernstiger wordt het wanneer je in de krant leest dat een vertegenwoordiger van de kerken beweert dat deze hun deelname aan het maatschappelijk debat over de stadsnormen als een belangrijke uitdaging zien. ”Praten over waarden en normen is immers de corebusiness van de kerken”.
Het treurige is dat ook deze misvatting zowel binnen als buiten de kerken door velen wel voor waar aangenomen zal worden. En dat is precies de reden waarom ik huiverig sta tegenover een kerk die zich profileert als hoeder van de moraal. Alsof het inderdaad daarom gaat en niet om de verkondiging van het evangelie!

Natuurlijk is het waar dat christendom en kerk een dragende en positieve rol hebben gespeeld met betrekking tot de normen en waarden binnen onze samenleving. En natuurlijk is het zo dat het niet eenvoudig is om een ander bindmiddel te vinden dat ons bij de les en op het rechte pad houdt. En misschien moet ik daarom ook niet te sceptisch zijn over onze stadsregels.

Maar wat mij betreft hoeft de kerk hierin geen hoofdrol te spelen. Juist ook omdat de kerk mijn inziens eerder te veel dan te weinig heeft met moraal en fatsoen, zoals die in de stadsregels naar voren komen. Ik krijg wel eens de kriebels van al die keurige mensen in onze gemeentes (mijzelf niet uitgezonderd), die alles netjes volgens het boekje doen en ondertussen vinden dat de deur van de kerk tijdens de diensten op slot moet om te voorkomen dat er zwervers of verslaafden over de drempel stappen. Laten we maar eens wat minder focussen op moraal en fatsoen en wat meer de ruimte bieden aan creativiteit, prikkelende grappen, barmhartige betrokkenheid en kritische aanwezigheid. Het zou mij een lief ding zijn als de kerk daarom bekend stond in de wereld!

Kim Magnée-de Berg is predikant te Gouda
en stuurgroeplid van Op Goed Gerucht



Begin pagina



'ONMOGELIJKE' TEKSTEN - zeven strategieën


door Joep Dubbink


Hoe preek je over bijbelteksten waarin God extreem geweld uitoefent of daartoe oproept?
Op de geruchtdag ‘God is boos’ hield een groep van 25 collega’s zich bezig met de vraag, hoe je preekt over zulke ‘onmogelijke’ bijbelteksten. Als voorbeeld hielden we ons bezig met Jesaja 63,1-9, waar de Eeuwige zijn vijanden in de wijnpers plet tot het bloed de zomen van zijn kleren rood kleurt. Er zijn meer van die teksten in oude én nieuwe testament. In dit artikel maak ik een kleine rondgang langs mogelijke strategieën.<.P>

  1. Twee collega’s durfden zich te bekennen tot de omzeilende strategie: vermijd zulke teksten. Vervolgens bleek dat anderen dat ook geregeld deden... Natuurlijk staan deze teksten in de canon, maar dat betekent niet dat ze altijd opportuun hoeven te zijn in déze tijd en voor jouw gemeente.
  2. Een heel oude strategie is vergeestelijken. ‘De bijbel spreekt weliswaar in antropomorfismen en heeft het dan over Gods woede, Gods toorn en Gods wraak, maar daarbij moeten we ons iets heel anders en hogers voorstellen dan ménselijke woede, toorn en wraak.’ Klopt wel, maar of ‘t de huidige kerkganger overtuigt? Een modernere variant daarvan is, de vijanden van God tegen wie hij al dat geweld inzet, op te vatten als het kwaad, dat zich in de geschiedenis en in onszelf manifesteert (zo recent nog C. Houtman, De Schrift wordt geschreven, blz. 546). Ook daar is veel van waar, maar de angel is er niet uit wanneer de tekst spreekt over echte mensen die echt door Gods toedoen omkomen (bijv. het zondvloedverhaal).
  3. Wie echt exegetisch aan de slag gaat, doet het grondiger en leest de teksten contextueel: plaatst ze in hun tijd, verklaart de culturele, historische en religieuze situatie van toen, laat de ‘geintjes’ in de grondtekst zien, legt uit waarom dit toen zó gezegd werd en nu anders gezegd moet worden. Veel collega’s opteerden voor die aanpak – en terecht, want daar zit ambachtelijk theologenwerk in.
  4. Dicht daarbij ligt de bijbels-theologische strategie: we kunnen en mogen die ene tekst contrasteren met wat we nog meer in de Schriften lezen. Zo loop je niet stuk op die éne tekst, maar krijgt die een plek, wordt een stem temidden van vele.
  5. Een enkeling preekt stellig vanuit de tekst, confronterend: óók deze tekst heeft een boodschap voor de hoorders, en in plaats van zich te verstoppen in hun al-te-burgerlijke quasi-humanistische geweldloosheid moeten ze maar eens horen, hoe de slachtoffers zitten te smachten om een God die recht doet, desnoods met harde hand!
  6. Daar tegenover is er de pastorale prediker, die radicaal aan de kant van de lezer gaat staan en diens moeiten deelt, zo nodig met een prediking contra textum waarbij de prediker de tekst afvalt: niet alleen kan het nú zo niet meer gezegd worden, maar ook destijds had het beter zo niet gezegd kunnen worden!

Al deze strategieën hebben hun kracht en hun beperking. Bij de pastorale uitleg en zeker bij de uitleg contra textum is de vraag naar het ambt in het geding: waar haalt de prediker het recht vandaan, te oordelen over wat als canon, richtlijn, gegéven is? Of, als je dat te stijl-orthodox vind, is er toch minstens de vraag wie er nog voor de tekst opkomt, als zelfs de prediker/exegeet dat niet meer wil doen?! Is het geen luiheid, niet dóór te willen stoten tot een exegese die houdbaar en tegelijk predikbaar is?
Maar ook achter de confronterende prediking ‘vanuit’ de tekst kan luiheid liggen, wanneer de prediker zich verschuilt in en achter de tekst. Hij of zij heeft het dan maar weer mooi gezegd, zó moeten ze het maar eens horen! Dat soort preken houden we veel liever dan dat we ze aanhoren... Maar ook de mij dierbare academisch verantwoorde preken, die de tekst exegetisch begrijpelijk maken en bijbels-theologisch vernuftig weten te plaatsen, baten die? Soms ben ik bang dat ik niet anders gedaan heb dan het probleem oplossen, dat de tekst zélf bij mensen opriep. Maar was er met preken niet méér beoogd?
Ieder maakt in de praktijk natuurlijk gebruik van meerdere van deze strategieën, soms tegelijkertijd.

Maar is er nog iets anders mogelijk dan een slap poldercompromis, ‘doe maar wat van allemaal’?

  • Probeer het eens dialogisch, met de prediker als intermediair. Als pastor en prediker dient zij, hij, een dubbele loyaliteit te beoefenen, naar tekst én naar hoorder. Boodschapper dus (hermeneut komt immers van Hermes, de godenboodschapper), die heen en weer gaat tussen wat de tekst wil zeggen en waar mensen zitten. Beide polen op spanning houden, dan kán er iets gaan stromen, en wie weet vonken.


dr. Joep Dubbink is predikant te Zeist
en hoogleraar Bijbelse Theologie op de Monshouwer-leerstoel (VU)



Begin pagina



GEDACHTEGOED

Overgeleverd aan het licht

door Anne Marijke Spijkerboer



'Auferstehung'
Max Beckmann, 'Auferstehung', 1916-19, ca 500 x 350 cm, Staatsgalerie - Stuttgart.


Dit – in de werkelijkheid enorme - schilderij van Max Beckmann, is te zien in de Staatsgalerie in Stuttgart.
Wanneer je argeloos door de vele zalen sjouwt kan je er zomaar voor staan. Het duurt een tijd voordat je goed weet wat je ziet. Kluitjes grijzige mensen in rare houdingen en soms met vreemde kappen op het hoofd waren door het beeld. Linksboven houdt iemand de hand voor het gezicht; er staat er iemand met een monniksmantel om; er ligt een magere naakte moeder met baby voor wie we het ergste moeten vrezen. ' Onder hen komen geklede mensen uit een soort bunker. Één van ze lijkt op de figuur in ‘De Schreeuw’ van Edward Munch. Rechts van het midden tegen de onderrand staat een clubje mensen schichtig om zich heen te kijken. Het gaat om Beckmann zelf, zijn vrouw (met rode jurk) en zijn zoontje. Ook zij komen van onder de aarde omhoog. Achter hen lijken schimmen het licht in te komen. Rechts boven staat een halfnaakte vrouw; een merkwaardige gestalte heeft zich met kap en al van ons weggedraaid. De lijk-zwachtels hangen nog om hem heen. Achter hen liggen en zitten gestalten. In het midden heeft Beckmann een baan licht aangebracht die van rechts boven naar links onder gaat. In dit licht staat een figuur zich tegen de felheid ervan te weren. Het helpt niet – hij is er geheel aan overgeleverd. Achter hem zweeft iemand laag boven de grond; zijn schaduw is scherp afgetekend. Dan komt er een ander op de knieën omhoog en vlak voor ons ligt een groen uitgeslagen figuur met akelig grote handen en een verdraaid been.

Beckmann heeft zijn werk snel na het einde van de Eerste Wereldoorlog afgemaakt. Hij was in die jaren hospitaalsoldaat en zag wat er op het slagveld kon gebeuren. Zijn ‘opstanding’ is geen vrolijke situatie, waarbij de mensen uit de graven komen, het stof van de voeten schudden en huns weegs gaan. In welke wereld komen ze terug, willen ze wel terug komen, zijn de wonden ooit te helen, is alles wat kapot was ooit weer te maken? En dat licht waarvoor die middelste figuur zich probeert af te sluiten, wat onthult dat allemaal? Is licht niet ook onbarmhartig?
Beckmann laat de desillusie van de eerste grote Europese oorlog van de 20ste eeuw zien. De grote woorden uit theologie en cultuur hebben het niet gehouden tegen de kapotmakerij. Het is alsof Beckmann je toeschreeuwt: was dit wat je bedoelde? Hoe denk je dit op te lossen? Waar zijn je mooie en vrome woorden?
Van oudsher is de scène van de opstanding van de doden uit hun graven voorbehouden aan een klein hoekje op grote taferelen van het oordeel. Hier is het beeld van de opstanding zelf een oordeel geworden, niet over de mensen die daar uit hun graven komen, maar over de kijker.

Anne Marijke Spijkerboer is predikant te Rijswijk
en stuurgroepadviseur OGG




Begin pagina



GOEDGERUCHTERS OVER HENDRIKSE


Het momentum zou weleens voorbij kunnen zijn, overwoog de redactie toen de gedachte opkwam om eens te inventariseren hoe er in de kring van Op Goed Gerucht gedacht wordt naar aanleiding van de geloofsdeining die door toedoen van Klaas Hendrikse ontstond. Het was toen eind januari. Maar niets blijkt minder waar te zijn. In de media duiken nog regelmatig allerlei overwegingen op, het gesprek is nog gaande, en het gáát ook ergens over.
Velen reageerden op de de vraag van de redactie om te laten weten hoe er geschreven en gesproken is. Het bleek niet mogelijk om alle stukken te plaatsen, en zeker niet om alle stukken in hun geheel weer te geven. Hieronder volgt daarom een collage van teksten -die bijna allemaal aan een groter verband ontrukt zijn- in tamelijk willekeurige volgorde. 
 

De grote donorshow
Kunt u zich de grote donorshow nog herinneren? Een ongeneeslijk ziek iemand zou in een show de persoon uitkiezen die haar nier zou krijgen na haar dood. ‘Onsmakelijk’, ‘onethisch’ en andere kwalificaties waren niet van de lucht. Er werden zelfs Kamervragen gesteld en de premier zei dat hij helaas niet de bevoegdheid had het te verbieden. Toen de show werd uitgezonden, bleek het een stunt. En nog een heel zorgvuldige en goed doordachte stunt ook. Alom lof voor een omroep die een heet hangijzer op die manier onder de aandacht brengt.
Nu is er een dominee die zegt te geloven in een God die niet bestaat. ‘Onchristelijk’, ‘onnodig provocerend’ en andere kwalificaties zijn niet van de lucht. Er worden zelfs vragen in de synode over gesteld en de preses zegt dat hij helaas niet de bevoegdheid heeft om de predikant de mond te snoeren. Maar wie heeft het boek gelezen?
Mensen die het boek gelezen hebben, zijn niet unaniem positief als de reacties op de grote donorshow – dat is een feit. Wel zijn er veel kerkleden, ook in onze gemeente, die iets herkennen in wat Klaas Hendrikse zegt. Hij stelt in elk geval de goede vragen, zegt men. En achter de soms provocerende toon ontwaart men een oprechte zorg.
Vreemd dat men in de kerk niet net zo op hem kan reageren als op de BNN-show. Dat men niet zegt: ‘Wat goed dat iemand de rand opzoekt van onze kerkelijke taal en er zelfs ietsje overheen gaat om de goede vragen gesteld te krijgen. We zijn trots op een predikant die het lukt om tot in de seculiere media een gesprek over God tot stand te brengen.’
In 1944 schreef Dietrich Bonhoeffer vanuit zijn dodencel: 'De kerk moet loskomen uit haar verstarring. We moeten weer buitenlucht ademen, dialogiseren met de wereld. We moeten het riskeren aanvechtbare dingen te zeggen, als daardoor de vitale vragen maar weer aan de orde komen.' Klaas Hendrikse verdient bewondering voor zijn Grote Donor-show.

Aarnoud van der Deijl, Oost-Souburg
Hamerstuk, febr. 2008

Ds. Hendrikse als topkok?
Is het boek van Hendrikse als een rood stoplicht waarvoor al het verkeer moet stilstaan of is het oranje en kun je nog net door? De optie ‘groen licht’ is niet van toepassing, denk ik.
Iedere dominee – die in elk geval !! – zal het boek hebben gesignaleerd en misschien zelfs gekocht en wie weet ook gelezen. Maar wat meer is: wetend dat Hendrikse over oud nieuws modern en leesbaar schrijft – dat is al een kunst – zal ieder die dit signaal opvangt, bij zichzelf opnieuw nagaan wat het woord God hem of haar zegt. Met Hendrikse als gids vraagt het wel om enige hersengymnastiek, want hij gelooft wel in God die gebeurt en hij gelooft ook in een kerk, want in een kerk kun je geloven zoals je kunt eten in een restaurant. Zo is het en er is een behoorlijk grote menukaart, al smaakt het ene gerecht beter dan het andere. En er zijn niet veel restaurants met een topkok, laat staan met één of meer Michelin-sterren.

Jaap Dolaard, Zeist
voor: Horizon 16/01

Geloven in een God die niet bestaat
In een aansprekend stukje van de hand van Jean-Jacques Suurmond in Trouw van 11 december 2007 wijst hij op de betekenis van de ‘atheïsten’. Zij zijn het –als naaste, als verwanten- die christenen bij de ‘les’ houden, met hun kritische vragen. Zij helpen ook ons –ik citeer Suurmond- “om al te huiselijke opvattingen over God los te laten, zodat ze gegrepen kunnen worden door het geloof”. Met name dat laatste lijkt mij van fundamenteel belang.
En dat bereik je niet door deze –weliswaar oude- maar nog steeds actuele kritische vragen toe te dekken of met een beroep op de kerkelijke spelregels uit de weg te gaan. Maar dat bereik je door het gesprek aan te gaan! In een inmiddels gedateerd onderzoek onder jongeren, die op het punt stonden belijdenis te doen, wordt duidelijk dat ze dat juist verlangen van een geloofsgemeenschap. Jongeren (en veel ouderen) willen in hun geloofsvragen serieus genomen worden. Ze zoeken een kerk waarin ruimte is om dat gesprek in alle openheid aan te gaan.
Op die uitdaging zou ik graag in willen gaan!

Jos Timmerman, Veenendaal

Suprise
Wat heeft Hendrikse's boek me nu gegeven? Niets nieuws eigenlijk. In zijn woorden herken ik heel veel van mijn eigen beleving als gewone middenorthodoxe door Leiden kritisch opgeleide dominee. Alleen ben ik niet zo “manifesterig”. Ik begrijp ook niet waarom hij zich zo uitdagend als atheïst moet neerzetten, als hij eerst bladzijden lang vertelt hoe verkeerd die het doen. Ook is me niet duidelijk, waarom hij het woord “heidens” als iets verwerpelijks hanteert; hoe verhoudt zich dat tot zijn waardering voor “religie”? Kort door de bocht vind ik zijn oordeel over de vroege christenen. Als de ervaring van Mozes voor hen open kon gaan via Plato, wat is daar mis mee? Is Gods “bestaan” daarom een “historische misvatting”? Langs die weg, die vertaalslag zijn al die oude geloofservaringen dan toch maar mooi bij ons gekomen.

Martin de Heer, Roderwolde

Over een God die niet bestaat
Wat ik jammer vind is dat de gelegenheid om een rechte slag met een kromme stok te slaan, door de (leiding van de) PKN niet wordt opgepakt. De kromme stok is het boek van Hendrikse: het is niet nieuw om te zeggen dat God niet ‘bestaat’ zoals een tafel bestaat, of zoals mensen bestaan. Dat lijkt me evident. (…)
Wat had nu de rechte slag kunnen zijn? Dat we in de kerk daarover eens met elkaar in discussie zouden gaan. In welke God geloven wij eigenlijk, welke beeld hebben wij van Hem (of Haar of Het)? Is de God van Israël dezelfde als Allah van de moslims. En als God niet bestaat zoals de wereld bestaat, hoe spreken we dan over Hem: als de Aanwezige of de Afwezige, de Gebeurende, de Komende, de Roepende, de Ene, de Trouwe, de Vader, de Bron, het Onzegbare, de Energie, de Uitnodigende, de Meegaande – de Bijbel alleen al geeft een grote hoeveelheden titels aan God, simpelweg omdat Hij niet vast te leggen is in één begrip. Als we het daar in de kerk nu eens over zouden kunnen hebben en niet gelijk zouden reageren als de synodevoorzitter die zei: “Wanneer dominees zich atheïst gaan noemen, begrijpt niemand meer waar het in de kerk echt om gaat”. En daarmee sloeg hij de uitnodiging van het dagblad Trouw om mee te doen aan een debat over deze kwestie af. Heel jammer, omdat het daarmee lijkt alsof het nu wel klip en klaar is waar het in de kerk om gaat. Dat is het vaak juist niet.
Laat de Geest maar wel uit de fles (de kerkelijke kaasstolp) komen. Liever dat, dan een zorgvuldig geregisseerd beeld van de kerk, dat niet klopt met de werkelijkheid. Liever dat, dan een kerk waarin de leer van bovenaf wordt vastgesteld, of een kerk, waar je mag pas komen als je instemt met een vastomlijnde dogmatiek.
Als we dat debat in de PKN nu eens wel zouden aangaan en het boek van ds Hendrikse en daaropvolgende discussie als een typisch gevalletje van ‘ieder nadeel heb zijn voordeel’ zouden oppakken, is er veel te winnen. Geen gemakkelijke winst, maar verdiepende winst. We komen weer te spreken over waar het in het geloof om gaat: God!

Rienk Lanooy, Chaam

De zegen van het atheïsme
In feite is dominee Klaas Hendrikse heel bescheiden over God. Hij beseft dat we alleen heel voorzichtig en uiterst terughoudend over Hem kunnen spreken. Daarmee bevindt hij zich op een oud en eerbiedwaardig spoor. Meester Eckhart bijvoorbeeld, een mystiek schrijver uit de Middeleeuwen, schreef dat we eigenlijk alleen maar kunnen zeggen wat God niet is. Hij nam daarbij geen blad voor de mond. Al te vaak, zegt Eckhart, spreken mensen over God als over een koe: als iets waarvan wij mensen de waarde menen te kunnen schatten vanwege het nut ervan. Maar over God kan je niet praten in zulke termen. En om nog een andere middeleeuwer erbij te halen, Thomas van Aquino, één van de beroemdste theologen uit de christelijke geschiedenis, deze heeft veel dikke boeken over God geschreven. Over hem gaat het verhaal dat hij op het einde van zijn leven al zijn boeken wilde laten verbranden. Hij was namelijk gaan beseffen dat al die boeken het geheim van God nooit kunnen uitdrukken. De gedachten van Hendrikse komen dicht in de buurt daarvan als hij zegt: ‘God komt in de vraag misschien wel dichterbij dan in stelligheden of zogenaamde waarheden.’

Stephan de Jong, Eibergen-Rekken
preekfragment

God bestaat niet, hij gebeurt!
Veel interessanter dan de vraag naar Gods bestaan vind ik de gedachte van Hendrikse dat God gebeurt. God is niet die wijze oude man met die lange witte baard ver weg ergens in de hemel, nee, je ontmoet hem in het hier en nu. Een voorbeeld, een man ligt in het ziekenhuis en zegt vertwijfeld tegen de dominee: ‘Ik merk niets van God en zijn liefde, juist nu ik hem zo nodig heb, is hij er überhaupt wel?’ Waarop deze antwoordt: ‘Ik ben hem anders al een paar keer tegengekomen net op de gang in al die zusters en broeders die voor u zorgen.’ God gebeurt dan dus in zorg en liefde…

Harold Oechies, Uithoorn

Klaas in de kerk
Moet Klaas de kerk uit? Alsjeblieft niet. Ook al lijkt hij daar zelf af en toe naar te solliciteren met zijn negatieve uitspraken of provocerende taalgebruik. Toch niet doen! Allereerst omdat zulke procedures alleen maar ellende veroorzaken, en nog jaren doorzeuren. Maar ook omdat een pluriform geheel als de Protestantse Kerk het best kan hebben als een aantal gemeenten en voorgangers de uiterste grens opzoeken van geloof en ongeloof. Zoals er omgekeerd uitersten zijn in de rechterflank van de kerk, die een geloof verkondigen waarvan menigeen de rillingen krijgt. Ook dat is af en toe lastig, maar laten we met elkaar rustig bestaan / gebeuren. Als hij zelf niet vertrekt, moet Klaas dus blijven. Wel blijf ik het jammer vinden dat zijn boekje vaak onzorgvuldig is of kort door de bocht gaat. Een monomaan verhaal van iemand die nauwelijks met anderen in discussie gaat. Het pleidooi om anders dan driedimensionaal over God te denken had wat mij betreft een beter pleidooi verdiend.

Jan Offringa, Kesteren / Veenendaal
in: Rondom de Voorhof 2008/2

‘… die niet bestaat’
Aan hoe men reageert op deze predikant kan je aflezen hoe men zelf denkt over God. Wie lacherig doen over de titel van het boek én wie er geschokt door zijn hebben hetzelfde godsbeeld: namelijk van een figuur (man) in de hemel (letterlijk) die onze wereld bestuurt en aan de touwtjes trekt. In hun beeld bepaalt God wat er gebeurt, waar en met wie: zowel het goede als het kwade. Er zijn (traditioneel) gelovigen met dit beeld. Maar ook mensen die niet (meer) in God geloven, zijn niet anders dan die traditionele gelovigen: ze zijn nooit verder gekomen dan dit godsbeeld.

Menso Rappoldt, Graft
(kerst)preekfragment

Is God aanwezig?
God als de komende van gene zijde is onbewijsbaar en kan altijd worden ontkend. Zoals trouwens ook de liefde onbewijsbaar is, zéker ten overstaan van een jaloerse echtgenoot, want elk vertoon van liefde kan dan uitgelegd worden als doen alsof er liefde is. Zo bezien is de atheïst de jaloerse partner van de gelovige. Die argwaan proef ik ook bij Hendrikse als hij in zijn boek voortdurend van zijn collega-predikanten zegt dat ze doen alsof God bestaat. Hij weigert consequent de gedachte toe te laten dat God er voor hen écht is, als degene die van buiten hun bestaan binnenkomt en hen aanspreekt.
En dat is nu juist wat ik versta onder het er-zijn van God: dat God onze werkelijkheid en onze gedachten openbreekt door er als de Andere in binnen te komen, zoals in het klein een medemens mijn gesloten leventje kan openbreken door er van buitenaf, als een ánder, in binnen te komen.
Die ander kán dat alleen als hij mijn taal spreekt en mijn wereld serieus neemt, en zo kan hij mijn wereldje verruimen en openen naar het andere. Dat geloof ik ook van God. Hij doet zich voor, en bij dat werkwoord past het voorzetsel ‘als’ – God doet zich voor áls. Hij hult zich in de mantels van onze beelden en begrippen, omdat er anders geen sprake zou kunnen zijn van ontmoeting of aanraking. Maar God kómt van buiten mij, van buiten ons. Onze wereld is open naar meer dan wijzelf alleen. Dat is althans mijn vaste overtuiging.

Piet van Veldhuizen, Rotterdam
tijdens het symposium ‘Is God aanwezig?’, december 2007

Het lastige bestaan van God
Wellicht kun je zeggen dat ook de uitspraak ‘God bestaat’ een vorm van beeldspraak is. In sommige opzichten kunnen we God vergelijken met het bestaande en in andere opzichten niet. Dat maakt het spreken over Gods bestaan zo lastig. (…)
Ik ontmoette eens een vrouw die, toen naar haar geloof werd gevraagd, zei: ‘Ik zeg niet zo snel dat ik geloof in de Schepper. Dat vind ik erg ingewikkeld. Maar ik geloof wel dat ik schepsel ben, dat deze wereld schepping is, het leven een geschenk en een opdracht, en ik heb het gevoel te leven voor het aangezicht van God.’ Dat vind ik zeer herkenbaar. Strikt genomen kun je geen schepsel zijn als er geen Schepper is, dus als je gelooft schepsel te zijn, geloof je ook in de Schepper. Maar toch is voor te stellen dat je je leven ervaart als een leven in relatie tot God, als een gave en een opgave van God, als schepping Gods, terwijl je tegelijkertijd erkent dat je je van die Schepper en zijn scheppen moeilijk een beeld kunt maken en je niet het gevoel hebt, dat je objectief kunt vaststellen dat God bestaat.

Peter Buikema
Groningen / Appingedam


Als je meent iets van God begrepen te hebben, heeft dat wat je begrepen hebt niets met God te maken.

Augustinus



Begin pagina



LATEN VIEREN

door Lyonne Verschoor-Schuijer


Vergadering van de werkgroep liturgie. Op tafel ligt de orde van dienst van de stille week van vorig jaar. Toen had een dominee ‘van buiten’ de vieringen gedaan. Anders dan andere jaren had hij ‘het beklag van God’ daarin een plaats gegeven.
De werkgroepleden herinneren zich het gevoel van onbehagen waarmee zij de kerk toen verlaten hadden. God had zich beklaagd; God was boos. En dat drukte op hen toen zij naar huis gingen. Misschien moesten we dit jaar deze tekst toch maar niet …

Op Goede Vrijdag wordt stemgegeven aan lijden, aan verdriet, aan verlies. Niet alleen dat van toen, maar ook van nu. We ervaren en belijden dat Christus tot aan het eind der wereld lijdt in de verlatenheid en pijn van de minsten van de mensen1. Vanzelfsprekend hebben we daar onze vragen bij: waarom toch, hoe lang nog, waarom wordt er niet ingegrepen?
Het wrange van de viering op Goede Vrijdag is dat daarin naar voren komt dat God deze vragen ook stelt. Maar dan aan ons. Hij draait het om en stelt de allesomvattende waaromvraag aan mensen:

Vrijheid en geweten, een hart hen ingeschapen, een ziel deed ik hen aan.
Wat had ik kunnen doen en heb ik niet gedaan?2

Ongetroost, schuldbewust, verlaat de kerkganger de viering: God is boos.

Juist in een tijd dat God eerder als een ‘lieve schat’3 wordt gezien dan als een kritische instantie zou het verwijt van God moeten klinken in onze vieringen. Een kerk die juist op deze dag deze verwijten niet kan verdragen en niet wil zien dat lijden van mensen ook door ons handelen, spreken, nalaten, -door onze schuld- plaatsvindt, kan zich afvragen of het stilstaan bij deze Goede Vrijdag überhaupt zin heeft.

1.) Liedboek voor de Kerken, Gz. 176
2.) Huub Oosterhuis, ‘Het lied van de aarde’
3.) A.M. Spijkerboer, ‘God is een lieve schat’, in: Woord & Dienst 57/2

Lyonne Verschoor-Schuijer is predikant te Harderwijk
en redactielid van Geruchten



Begin pagina

Startpagina Op Goed Gerucht